|
|
|||||||||||||
|
C |
D |
E |
F |
G |
H |
I |
J |
K |
L |
M |
|||
|
N |
O |
P |
Q |
R |
S |
T |
U |
V |
W |
X |
Y |
Z |
|
|
|
|||||||||||||
|
|
|||||||||||||
|
|
|||||||||||||
A |
|
||||||||||||
|
Aaldingen (m) |
Erfgenamen |
||||||||||||
|
Aalmoesenier |
Door een
stedelijk bestuur aangesteld welgesteld persoon als hoofd van het Armbestuur
en tevens oppertoeziener over armen en wezen. |
||||||||||||
|
Aanverwantschap |
Zwagerschap,
bestaat tussen de echtgenoot en al de bloed-verwanten van de echtgenote en
omgekeerd. |
||||||||||||
|
Aartshertog |
Hertog van hogere rang |
||||||||||||
|
Aartspriester |
Voornaamste priest bij een
kathedrale kerk |
||||||||||||
Aasdomrecht |
Tot in 1599
waren er in Holland gebieden met aasdoms-recht (zoals Zoetermeer en Zegwaart)
en gebieden met schependomsrecht. Aasdomsrecht is oud Fries recht. Bij
aasdomsrecht had men de schout die de functie van rechtsvorderaar had (een
soort vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie), de azing die kennis van
het recht had en als adviseur optrad, en de buren (zie geburen) die vonnis
spraken. De geburen waren de buren van beide partijen, dus bij elk proces
weer anderen. Op den duur werden de geburen vervangen door gezworenen die
door de buren werden aangewezen. In gebieden met schepen-recht stond men
terecht voor schout en schepenen. De naam azing komt van het Friese a-sega, hetgeen
recht-zegger betekent. De azing was vaak geen academicus. Het aasdomsrecht
verschilde van het schependomsrecht. In het aasdomsrecht gold: het naaste
bloed erft het goed. Er was geen recht van representatie (kinderen die in de
plaats kwamen van reeds overleden erfgenamen). In het schependomsrecht
bestond dit wel. Bij het aasdomsrecht trad daardoor minder versnippering op
bij het erven van bedrijven zoals een boerderij. Op den duur had dit
gevol-gen voor de grootte van bedrijven in een streek. |
||||||||||||
|
Aenboortschap (m) |
Zie Aborschap |
||||||||||||
|
Aenborenschap (m) |
Zie Aborschap |
||||||||||||
|
Abbrogatie |
Intrekking, afschaffing, opheffing der wet |
||||||||||||
|
Aborschap (m) |
Familie en
eedshulp van familie. Ook wel: Aenborenschap en Aenboortschap. |
||||||||||||
|
Abortijf (m) |
Misgeboorte |
||||||||||||
|
Abrije (m) |
Koppelaarster |
||||||||||||
|
Achterbaren (m) |
Achterboren, achterneef,
oudzusterling |
||||||||||||
|
Achterboren (m) |
Achterbaren, achterneef |
||||||||||||
|
Achterdeel (m) |
Nadeel, een voordeel en
achterdeel. |
||||||||||||
|
Achtererve |
Achterneef
|
||||||||||||
|
Achtererven |
Latere
erfgenamen aan wie een erfenis, na de onmiddel-lijke erfgenaam, versterven
moet. |
||||||||||||
|
Achterkint (m) |
Bloedverwant
in de graad van "achtersusterkint". |
||||||||||||
|
Achterkintsvrede (m) |
Een vrede of
verzoening tussen twee families tot aan de graad van "achterkint". |
||||||||||||
|
Achterleen |
Land wat een
leenman een ander in leen gaf. De leenman hield het achterleen in volle leen
van de grondheer, waar-van hij afhankelijk was. |
||||||||||||
|
Achternicht |
Kleindochter
van iemands broeder of zuster, één of meer graden verder dan een nicht. |
||||||||||||
|
Achterrechtzweer |
Achterneef of nicht. |
||||||||||||
|
Achtersate (m) |
Nazaat |
||||||||||||
|
Achterskint (m) |
Achtersusterkint |
||||||||||||
|
Achterskintmaech (m) |
Achterzusterskind,
achterneef. |
||||||||||||
|
Achterskintvrede (m) |
Zoen, waarbinnen begrepen
zijn alle verwanten in de der-de graad. |
||||||||||||
|
Achtersusterkintmaech (m) |
Bloedverwant in den graad
van “achtersusterkint". |
||||||||||||
|
Achtersusterlinc (m) |
Achtersusterkint |
||||||||||||
Achtersusterkint |
Achterneef. |
||||||||||||
|
Achtersusterkintsvrede (m) |
Zoen waarin
de verwanten in de derde graad, in de graad van "achtersusterkint"
begrepen zijn. |
||||||||||||
|
Achtervolgen |
Opvolgen |
||||||||||||
|
Ad-lites |
Voor een proces |
||||||||||||
|
Adel |
Stand der
edelen, maatschappelijke stand waaraan een bepaalde aanzien en bepaalde
voorrechten zijn ver-bonden. Meestal bij de geboorte verkregen. De oudste
adel berustte op aanzien en erkenning, die gegrond kon zijn op grondbezit,
militair of sociaal leiderschap, of op het behoren tot een heersende
bovenlaag. Wanneer dit aanzien een paar nakomende generaties en door
huwelijken met soortgelijke families verbonden was, vormde dit geheel een
bepaalde stand. In de regel werd dit door de koning en andere landsheren
erkend. Hieraan werden persoonlijke voorrechten en plichten verbonden, vaak
van rechterlijke of militaire aard. In 1795 werd
in Nederland de adel door de Fransen afgeschaft en in 1814 werd de adel
hersteld. |
||||||||||||
|
Adelborst (m) |
Jongeling
van edele geboorte, jonker, jonker die krijgs-dienst verricht, bemanningslid
van de vloot. |
||||||||||||
|
Adelbrief |
Broeder uit een wettig
huwelijk. |
||||||||||||
|
Adelbroeder (m) |
Zie Adelbrief |
||||||||||||
|
Adelinc (m) |
Edelman, adellijk persoon. |
||||||||||||
|
Adelincschap (m) |
Adeldom. |
||||||||||||
|
Adelkind (m) |
Kind van edele geboorte,
kind uit wettig huwelijk. |
||||||||||||
|
Adelsuster (m) |
Zuster uit een wettig
huwelijk. |
||||||||||||
|
Admortiseren (m) |
In de dode hand brengen
van goederen. |
||||||||||||
|
Adoptie |
Als kind
aannemen. Een aangenomen kind staat in burgerlijke zin niet meer tot zijn
bloedeigen familie en hierdoor ook niet een afstammeling wordt van zijn
adop-tiefouders. In het kader van "wettige afstamming", sticht de
geadopteerde (zoon) een nieuw geslacht. |
||||||||||||
|
Adoptiewet |
Ingevoerd
met de wet van 26.02.1956. Hiervoor was adop-tie in Nederland niet mogelijk. |
||||||||||||
|
Aenbesterven |
Door erfenis (dood) in eigendom krijgen |
||||||||||||
|
Aene (m) |
Overgrootvader. Ook:
Aen-heere |
||||||||||||
|
Aenerven (m) |
Krachtens
erfrecht door erfopvolging op iemand overgaan, zijn eigendom worden, aan
iemand als erfgoed ten deel vallen. |
||||||||||||
|
Aengeboorte (m) |
Het op
aangeborenschap of bloedverwantschap gegronde recht van voorkeur of naasting
bij verkoop van een vast goed. |
||||||||||||
|
Aengeboorte (m) |
Aengeborenschap
(Mnl), bloedverwantschap, maagschap, vooral het op die betrekking gegronde
recht tot naasting. |
||||||||||||
|
Aengeboren (m) |
Door en met
de geboorte verkregen, iemand bij geboor-terecht toekomend. |
||||||||||||
|
Aen-heere (m) |
Zie Aene |
||||||||||||
|
Aenlechster (m) |
Zie Aenleggerse |
||||||||||||
|
Aenlegger (m) |
Eiser in
rechte. |
||||||||||||
|
Aenleggerse (m) |
Eiseres.
Ook: Aenlechster |
||||||||||||
|
Aenslachten (m) |
Door
geslacht of afkomst aangeboren zijn. |
||||||||||||
|
Aensoekinge (m) |
Gerechtelijke
aanmaning, sommatie, vordering, eis in rechte. |
||||||||||||
|
Aenspreker (m) |
Eiser in
rechte. |
||||||||||||
|
Aensterven (m) |
In iemands
eigendom overgaan door de dood van een ander. |
||||||||||||
|
Aenvererven (m) |
Door erfenis
iemands eigendom worden. |
||||||||||||
|
Aenversterven (m) |
Door
versterf iemand overgaan, door het sterven van een ander iemands eigendom
worden. |
||||||||||||
|
Aenvrouwe (m) |
Grootmoeder.
Ook: Anichvrouwe. |
||||||||||||
|
Aenlegger |
Eisende
partij in een proces |
||||||||||||
|
Aentael |
Aanspraak |
||||||||||||
|
Aenvaen |
In bezit
nemen, aanvaarden, aannemen, beslag leggen |
||||||||||||
|
Afboedelen (m) |
Uitboedelen,
aan een rechthebbende zijn deel uit een boe-del uitkeren. |
||||||||||||
|
Afdrijf |
De afdrijf
was het bedrijf van goederen die gelegen waren buiten de gemeente waar de
bedrijver woonde. De afdrij-ver diende de zetting van zijn bedrijf te betalen
aan de ge-meente waar het goed gelegen was, hij mocht evenwel die som
aftrekken (afdrijven) van de belasting door zijn ge-meente geheven op de
totaliteit van zijn bezit. |
||||||||||||
|
Afdriven (m) |
Verwijderen, verwijderd houden. |
||||||||||||
|
Affgedeijlt is |
Afgescheiden |
||||||||||||
|
Aflijvig |
Dood |
||||||||||||
|
Afstammingreeks |
Een in
generaties gerangschikte opgave van de wettige afstammelingen van een persoon
uit een andere persoon. Die "andere persoon" is niet een voorvader
in rechte mannelijke lijn, want dan spreekt men van een stamreeks. |
||||||||||||
|
Afterstellen |
Achterstallige
betalingen, beslagen |
||||||||||||
|
Agamie |
Ongehuwde staat |
||||||||||||
|
Akte |
Document
waarin een feit of rechtshandeling wordt vastgelegd. |
||||||||||||
|
Aling |
Geheel,
volkomen |
||||||||||||
|
Allegeren |
Aanvoeren |
||||||||||||
|
Allodiaal |
Niet
leenroerig (niet afhankelijk van een leen). Allodiale gronden : zijn goederen
vrij van feodale verplichtingen |
||||||||||||
Allodium |
Niet in leen
gehouden goed. Eigen vrij erfgoed. Ook wel edeleigen of zonneleen genoemd.
Het stond in tegenstelling met het feudium, een goed in leen waarvoor
leenhulde verschuldigd was. |
||||||||||||
|
Ambacht |
Bestuursgebied
vergelijkbaar met onze gemeente met aan het hoofd de schout. De gemeenten
hebben destijds de rechten en plichten van de ambachten overgenomen. Vaak was
dit bij het tot stand komen van de "cope" de leider van de ontginners.
Men sprak ook van een schout-ambacht. |
||||||||||||
Ambachtsheerlijkheid |
Het geheel
van heerlijke rechten in een ambacht: de lagere rechtspraak (overtredingen
e.d.), De benoeming van di-verse functionarissen zoals de schout,
medezeggenschap bij de benoeming van de dorpsgeestelijke. Zie ook hoge
heerlijkheid en vrij ambacht. |
||||||||||||
|
Amië (m) |
Zie Amye |
||||||||||||
|
Amieschap (m) |
Concubinaat,
de toestand van bijzit. Ook: Amyschap |
||||||||||||
|
Amye (m) |
Vriendin,
geliefde, bijzit. Ook: Amië |
||||||||||||
|
Amys (m) |
Vriend,
minnaar, boel. |
||||||||||||
|
Amyschap (m) |
Zie Amieschap |
||||||||||||
|
Anderlinc (m) |
Achterneef,
neef de tweede graad. |
||||||||||||
|
Andersweer (m) |
Achterneef,
kind van een volle neef of nicht. |
||||||||||||
|
Anen (m) |
Overgrootvaders.
In opklimmende linie volgen: Anen, overanen, oudover-anen, bet-oudoveranen. |
||||||||||||
|
Anichhere (m) |
Grootvader. |
||||||||||||
|
Anichvrouwe (m) |
Grootmoeder. |
||||||||||||
|
Antichresis |
Verpanding van het
vruchtgebruik van onroerend goed in plaats van rente. |
||||||||||||
|
Apostele (m) |
Zie Apostille |
||||||||||||
|
Apostille (m) |
Beroepsbrief,
kanttekening, naschrift, aanbeveling toe-gevoegd aan een petitie of memorie;
een schriftstuk waar-op een apostille is aangebracht of een afzonderlijk stuk
dat deze behelst. |
||||||||||||
|
Apprehenderen |
Gevangen nemen |
||||||||||||
|
Approbatie |
Goedkeuring |
||||||||||||
|
Argelist |
Sonder argelist; ter
goeder trouw |
||||||||||||
|
Arrondissementsrecht- banken |
Rechtbanken
sinds 1838 met straf- en civielrechtelijke be-voegdheden. Nederland is verdeeld
in arrondissementen. Ieder arrondissement heeft een arrondissementrecht-bank. |
||||||||||||
|
Ascendanten |
In opklimmende linie
verwanten. |
||||||||||||
|
Assestant |
Die verklaring aflegd. |
||||||||||||
Assignaat |
Papier geld
uit de eerste Franse Republiek (1789-1796). |
||||||||||||
|
Atavisme |
Het woord is
herkomstig uit het latijnse Atavus, genomen in de algemene betekenis van
voorvader. Atavisme bedoelt wet der overerving van lichaamsvormen en
verstandshoe-danigheden, de gelijkenis op de grootvader is dikwijls
merkwaardig (atavistisch). |
||||||||||||
|
Atavus |
Oudovergrootvadersvader of
grootvaders overgrootvader. |
||||||||||||
|
Avetronc (m) |
Onecht kind |
||||||||||||
|
Attestatie |
Verklaring |
||||||||||||
|
Attesteren |
Getuigen |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
B |
|
||||||||||||
|
Baandeheer |
Een edele die het recht
had zijn welgeboren mannen onder zijn banier ten strijde te voeren. |
||||||||||||
Baliu (m) |
Opperrechter,
landvoogd, grafelijk ambtenaar, hof-meester, regent, voogd van minderang,
kastelein, slot-voogd, krijgshoofd, opvoeder, baljuw. Ook: Baeliu, Bailliu,
Baelju, Balgu, Belio |
||||||||||||
Baliusbode (m) |
De bode van de baljuw,
gerechtsbode. |
||||||||||||
Baliuwinne (m) |
Baljuwsvrouw. |
||||||||||||
Baljuw |
Ambtenaar,
door de landsheer met de rechtspraak in een zekere streek belast; rechter in
het algemeen. In heerlijk-heden met hoger, middelbaar en lager gerecht was
een baljuw de rechtstreekse vertegenwoordiger van de heer. Zie ook Drossaard of Drost |
||||||||||||
Baljuwschap |
Bestuurlijke
en rechterlijke organisatie, onderverdeling van een graafschap (vergelijkbaar
met onze huidige pro-vincies die een onderverdeling van het land zijn). Een
bal-juwschap was weer onderverdeeld in ambachten. Vaak vielen baljuwschappen
samen met waterschappen, de laatste waren echter waterschapkundige
organisaties. Voorbeeld: het baljuwschap van Rijnland. Baljuwschap,
ambt van een baljuw, rechtsgebied van een baljuw verdeeld in schoutambten,
bevolking in het rechts-gebied van de baljuw. |
||||||||||||
|
Bamis (m) |
Sint-Bavo-mis,
1 oktober, dag der betalingen van pacht, huur, cijnsen enz. Het tijdstip was
oordeelkundig gekozen: onmiddellijk na het binnen halen van de oogst. |
||||||||||||
|
Ban (m) |
Rechtsgebied,
rechtsdicstrict, ambacht. |
||||||||||||
|
Banaliteit |
Dwangherenrecht. |
||||||||||||
|
Banc (m) |
Bank,
rechtsgebied, rechtbank, dingbank, vierschaar, schepenbank; in de steden schepenen
van de beide rechts-collegien: hoge en lage bank; lagere bank of kleine bank
is een ondergeschikt gerechtshof; smallebanc, nederbanc, onderbanc waren
waarschijnlijk laatbanken; banc sluiten: de behandeling der rechtzaken
opschorten; die banc span-nen (m): recht doen, de rechtbank of schepenbank
op-roepen om recht te spreken; banc sterk genoech: het, vol-gens de
omstandigheden, vereischte getal schepenen heb-bende; volle banc van wette
(m): volledige schepenbank. |
||||||||||||
|
Baron |
Een
baron is een adelijke titel en ligt tussen ridder en burggraaf in. Het was
vroeger de hoogste edelen, direct onder de koning. |
||||||||||||
|
Bastaard |
Kind waarvan
de vader en moeder niet wettig gehuwd waren. Wettelijk volgt een bastaard
meestal de conditie van de moeder. Wettiging kon vroeger geschieden door het
huwelijk der ouders, waardoor het kind onder een doek of onder de mantel werd
geplaatst ('mantelkin-deren'). |
||||||||||||
|
Bastaardbroeder |
Buiten echt geboren
broeder. |
||||||||||||
|
Bastaarddochter |
Buiten echt
geboren dochter. |
||||||||||||
|
Bataafse Republiek |
De
Bataafse Republiek was de officiële naam voor de Republiek der Verenigde
Nederlanden na het vertrek van stadhouder Prins Willem V van Oranje-Nassau in
1795 naar Engeland tot aan de benoeming van Lodewijk Napoleon tot koning in
1806. De Bataafse Republiek sloot in 1796 een offensief en defensief verbond
met Frankrijk en kwam in feite onder protectoraat van dit land. De Grondwet
werd twee keer gewijzigd, in 1798 en 1801. De Bataafse Republiek kende
aanvankelijk een uitvoerend bestuur van 5 directeuren, vervolgens een
'Staatsbewind' van 12 personen en tenslotte een eenhoofdig bestuur van
Raadspensionaris R.J. Schimmelpenninck. |
||||||||||||
|
Begraafregister |
Register
waarin degene die begraven was werd ingeschre-ven. Ingeschreven werd de naam
van betrokkene en de begraafdatum. Vaak werd ook het nummer van het graf en
de betaalde bedragen voor het openen van het graf, het luiden van de klok,
draagbaar en doodskleed ingeschre-ven. |
||||||||||||
|
Behoudelijck |
Met uitzondering van |
||||||||||||
|
Belenden |
Grenzen, palen aan. |
||||||||||||
|
Beboesemen (m) |
Bewijs leveren van
verwantschap met iemand. |
||||||||||||
|
Bedde (m) |
Huwelijksbed,
huwelijksgemeenschap. Ook: Huwelijk. |
||||||||||||
|
Bede |
Eertijds een aanvraag van
de landsheer tot het opbrengen van een geldsom, een soort van belasting. |
||||||||||||
|
Beestsys (m) |
Een buitengewone belasting
op het vee. Ook: Bestiaelgelt. |
||||||||||||
|
Belendend |
Aangrenzend, naast
elkander liggend, naburig. |
||||||||||||
|
Belendende aanhorigheden |
Met al wat er toe behoort. |
||||||||||||
|
Belendende
onderhorig-heden |
De belendende percelen. |
||||||||||||
|
Belender |
Nabuur |
||||||||||||
|
Belendinge (m) |
Belending,
aangrenzend land of pand, begrenzing, grens, het aan elkander grenzen. |
||||||||||||
|
Beroep |
Bezigheid waarmee
men in zijn levensbehoefte voorziet, betrekking, werkkring. De burgerlijke
stand en de bevol-kingsregisters uit de 19e eeuw zijn bronnen waarin van
vrijwel iedereen die een beroep uitoefende, vermeld wordt, welk beroep dat
was. Het beroep bij overlijden, indien er dan nog een beroep werd
uitgeoefend, vind men in een overlijdensakte. Vóór 1800 zijn in rechterlijke,
notariele- en weeskamerarchieven en ook belasting-kohieren beroepen te
vinden. Voor agrarische beroepen de kadaster-, waterschapsarchieven,
markearchieven, pachtadministraties. Voor ambachtslieden, neringdoenden en
kooplieden in de 19e eeuw, de patentregisters. Voor ambtenaren en regenten
over het algemeen in overheids-archieven. Voor academici biografische
woordenboeken. |
||||||||||||
|
Beschikking |
Beslissing
van een overheidsorgaan, bijvoorbeeld een rechter, over een bepaalde zaak,
waaraan ieder zich moet houden. |
||||||||||||
|
Besetman (m) |
Bij
leenverhef is besetman nodig wanneer de verheffende persoon, een
minderjarige, een priester, een vrouw zou zijn; iemand dus die niet in staat
is aan de heer de dien-sten bewijzen die met de leenroerigheid verbonden zijn
o.a. krijgsdienst. |
||||||||||||
|
Besoigneren |
Beraadslagen, overwegen,
vergadering |
||||||||||||
|
Besolliciteren |
Te bewerkstelligen |
||||||||||||
|
Bespreck |
Voorbehoud |
||||||||||||
|
Bestemoeder |
Grootmoeder, bestemoer. |
||||||||||||
|
Bestevader |
Grootvader, bestevaar |
||||||||||||
|
Bestiaelgelt (m) |
Zie Beestsys |
||||||||||||
|
Bestoeren |
Gerechtelijk protest
aantekenen tegen |
||||||||||||
|
Bet-oud-overanen |
(meer)-bet-oudovergrootvaders. |
||||||||||||
|
Bet-over-grootmoeder |
Over-oud- grootmoeder. |
||||||||||||
|
Bet-over-grootvader |
Over-oud-grootvader. |
||||||||||||
Bevolkingsregister |
Register waarin wordt vastgelegd wie er per huis in een gemeente woont. Een in
enkelvoud aangelegd register waarin de bewoners per huisadres van een
gemeente met de belangrijkste persoonsgegevens opgetekend zijn. Zij werden
bijge-houden door aanvullingen en correcties. In 1850 landelijk ingevoerd en
gevuld met de gegevens die in 1849 waren verzameld voor de derde algemene
volkstelling. Meestal werden de registers per wijk en vervolgens per straat
ingedeeld. Per persoon konden de gegevens opgeschreven worden van
familienaam, voornamen, geslacht, relatie met het gezinshoofd (vrouw, zoon,
dochter, enz.), geboorte-datum en -plaats, godsdienst, beroep, adres, datum
vestiging, herkomstplaats, datum vertrek en vestigings-plaats, datum
overlijden. Eens in de tien tot vijftien jaar werden de registers vernieuwd,
daar door aanvullingen en correcties de overzichtelijkheid verdween. Deze
registers zijn gebruikt tot 1920. Hierna kwam de gezinskaart. Het
bevolkingsregister is te vinden bij de gemeente. |
||||||||||||
|
Bevrijt worden (m) |
Door de
gilde toegelaten worden om vrijelijk een ambacht uit te oefenen. |
||||||||||||
|
Bidprentje |
Een plaatje
waarop een sterfgeval staat vermeld, met op-wekking tot bidden voor de
overledene. Deze ook wel doods- of doodsbeeldjes genoemd zijn vooral bij
Rooms-Katholieken in gebruik. |
||||||||||||
|
Bieden |
Aanbieden |
||||||||||||
|
Binnenkosten |
Waren
belastingen, nodig om de on-kosten van de ge-meentebesturen te dekken; eens
per jaar mocht de omstel-ling van de binnenkosten gedaan worden. |
||||||||||||
|
Breack (land) |
Omgeploegd land dat men onbebouwd laat liggen. |
||||||||||||
|
Bet an der tijt |
Tot aan de
tijd dat |
||||||||||||
|
Blijckende penning |
Baar geld |
||||||||||||
|
Bloedschender |
Incestuous
person. |
||||||||||||
|
Bloedverwantschap |
Bestaat
tussen hen die een gemeenschappelijke stamvader hebben. |
||||||||||||
|
Bloeimaand |
Mei |
||||||||||||
|
Boedelscheiding |
Verdeling
van een nalatenschap als er meerdere erfgena-men zijn. |
||||||||||||
|
Botting |
Belasting
die in de plaats kwam van de kosten van onder-houd die een dorp aan de graaf
moest betalen tijdens zijn werkbezoek waarbij hij ook rechtszitting hield (bodding). |
||||||||||||
|
Braak |
Omgeploegd
land dat men onbebouwd laat liggen. |
||||||||||||
|
Braakvruchten |
Waarschijnlijk
kleine tiendvruchten. |
||||||||||||
|
Braec (land) (m) |
Zie Braak |
||||||||||||
|
Broodbidders |
(anno 1459)
bedelaars. |
||||||||||||
|
Broodzetting |
Rond 1800
stelde het bestuur van Rijnland de prijs en het gewicht van het brood vast,
dit heette de broodzetting. |
||||||||||||
|
Bui(ij)s |
Naam van een
kledingstuk; naam van een vissersboot. |
||||||||||||
|
Buitenijen, |
Het terrein
buiten de stadsmuur, dat tot het stedelijk rechtsgebied behoorde. |
||||||||||||
|
Buitengerechtelijke zaken
(rubriek) |
Dat deel van
het archief van een rechtbank waarin stuk-ken zitten over zaken, waarover de
rechter niet beslist in burgerlijke of strafzaken. |
||||||||||||
|
Burgerlijke begrafenis |
Begrafenis zonder kerkelijke
plechtigheden.
|
||||||||||||
|
Burgerlijke handelingen |
Handelingen
die een burgerrechtelijk gevolg hebben, bij-voorbeeld het sluiten van een
koopcontract. |
||||||||||||
|
Burgerlijke stand |
Etat civil, (BS) ingestelt nadat in
1810 het Koninkrijk Holland bij het Franse rijk was ingelijfd. In
Zeeuws-Vlaanderen al in 1796 en in Limburg in 1798. De overige delen van
Nederland in 1811 en 1812. De burgerlijke stand (BS) omvat ondermeer
geboorte-, huwelijks- en overlijdensakten. Ingeschreven in 1 jaar omvattende
registers en in tweevoud opgemaakt. Een exemplaar voor de gemeente en een
exemplaar voor de arrondissements-rechtbank. |
||||||||||||
|
Burgerlijke zaken
(rubriek) |
Dat deel van
een archief van een rechtbank waarin de stukken zitten die gaan over
burgerlijke handelingen. |
||||||||||||
|
Burgerlijk huwelijk |
Zonder
godsdienstplechtigheden huwen. |
||||||||||||
|
Burgerrecht |
Recht uit
het burgerschap voortvloeiend. |
||||||||||||
|
Burggraaf |
Een burggraaf
is een edelman is maar een graadje lager is dan een graaf. |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
C |
|
||||||||||||
|
Cameraar |
Een schepen
die voor een jaar aangewezen was voor het financieel beheer van de stad. |
||||||||||||
|
Cameraarsrekening |
De
documenten van een schepen die voor een jaar aange-wezen was voor het
financieel beheer van de stad. |
||||||||||||
|
Camerlincgelt (m) |
Hetgeen de
nieuwe leenhouder of leenvolger de heer ver-schuldigd was, wanneer een leen
door overeenkomst (wandelcoop) of door overlijden (sterfcoop) in andere
handen overging. |
||||||||||||
|
Candeeldach (m) |
De dag die
volgt op deze, waarop men een trouwfeest of huwelijksmaal heeft gegeven. |
||||||||||||
|
Cappuyn (m) |
Gesneden
haan, kapoen. Vaak voorkomend als te betalen cijns. |
||||||||||||
|
Carolus |
Zie Karolus |
||||||||||||
Carta |
Oorkonde |
||||||||||||
|
Cartularium |
Aangelegd
register van akten, aangelegd door of vanwege degene, die deze akten voor
zijn geschiedenis beschouwde. In de middeleeuwen vooral door kerkelijke
instellingen opgesteld. Ook steden, universiteiten, gerechtshoven,
kanselarijen, e.d. hadden cartularia. Aanzienlijke families gingen er in de
late middeleeuwen ook toe over. Ook ver-valsingen komen voor. |
||||||||||||
|
Castelein |
Kastelein, slotvoogd,
burchtvoogd, burggraaf. |
||||||||||||
|
Cause |
Recht |
||||||||||||
|
Cautie |
Zekerheid,
feitelijke garantie. Borgtocht, onderpand,
"elke handeling, hetzij borgstelling, pandgeving, schuld-bekentenis of
belofte waarmee men iemand een waarborg geeft tegen mogelijschade". Van
het Latijnse cautio = cavere : behoedzaam, voorzichtig zijn. |
||||||||||||
|
Cedule |
Heffingslijst met
belasting opgave |
||||||||||||
|
Census-kiezer |
Cijnskiezer,
stemgerechtigd waren alleen zij die een zekere som grondlasten betaalden; |
||||||||||||
|
Cesseren |
Ophouden, staken |
||||||||||||
|
Chais |
Rijtuig |
||||||||||||
Chirurgyn |
Heelmeester,
heelkundige, te weten iemand die uitsluitend bevoegd is in de heelkunst, niet
om de ge-neeskunde in haar geheel uit te oefenen. De maatschappe-lijke
positie van een chirurgijn, meestal tevens barbier, was lager dan die van een
geneesheer. Ook: Surgyn (m). |
||||||||||||
|
Cijns |
Belasting, pacht, rente. Recht dat de bezitter van een grond moet betalen
aan de cijnsheer; |
||||||||||||
Cijnsboeken |
Register waarin de
cijnspachten opgetekend staan, welke verschuldigd waren aan de landheer of
geestelijke instel-ling. Cijnsboek: boek waarin de
cijnsplichtigen vermeld zijn, met summiere beschrijving van de goederen
waarop de cijns rust; censier |
||||||||||||
Cijnsgoederen |
Mogen niet
verkocht of in pand gesteld worden, immers hier is degene die de goederen te
cijns uitgaf de eigenaar, de cijnsschuldige is de huurder. Even-min zal hier
dus kwestie van hypotheek zijn. Cijns of heerlijke rente staande op gronden
van de heer in erfpacht gehouden waren onafkoopbaar. |
||||||||||||
Cijnsheer |
Aan wie de cijns
verschuldigd is. |
||||||||||||
Cijnsplichtige |
Hij die de
cijns moet betalen |
||||||||||||
Clauwboeken |
Ook kluftboeken genoemd. Registers van de
omgang van het grietmansambt over de daarvoor in aanmerking komende edele
heerden of boerderijen in Groningen. |
||||||||||||
|
Clucht (m) |
Onderdeel van
een geslacht, generatie, lid graad, staak, "voor een hooft ofte
cluchte" (anno 1557), "oick onder hen allen voor een hoot ofte
cluchte" (anno 1557). Ook: Cluft. |
||||||||||||
|
Cluft (m) |
Zie Clucht |
||||||||||||
|
Codicil |
Akte waarin
iemand bepaald wat er wat er na zijn dood moet gebeuren. Anders dan bij een
testament kan in de codicil maar een beperkt aantal zaken worden geregeld.
Hoeft niet per se bij de notaris te worden bewaard. |
||||||||||||
|
Cognaten |
Alle
nakomelingen, in mannelijke en vrouwerijke lijn, van bepaalde stamouders. |
||||||||||||
Collaterale successie |
Erfenis die op een zijtak
overgaat. |
||||||||||||
Collaterale erfgenamen |
Erfgenamen
in de zijlinie. |
||||||||||||
Collateralen |
Ook zijmagen
genoemd. Bloedverwanten in de zijlinie, die niet van elkaar afstammen, doch
een gemeenschappelijke stamvader hebben. |
||||||||||||
|
Collatie |
Vergelijking van
geschriften met de oorspronkelijke tekst. |
||||||||||||
|
Compareren |
Verschijnen (voor de
notaris) |
||||||||||||
|
Competeert |
Toekomende |
||||||||||||
|
Concordat |
Stemt overeen met |
||||||||||||
|
Confessiën |
Bekentenissen |
||||||||||||
|
Confirmeren |
Bekrachtigen van bijv. een akte |
||||||||||||
|
Consanguineus |
In de
middeleeuwen de aanduiding van een neef die meer dan vijf graden (generaties)
verwijderd was. |
||||||||||||
|
Consciencie |
Geweten |
||||||||||||
|
Conscrit |
Dienstplichtige |
||||||||||||
|
Consenteren |
Toestaan, vergunnen |
||||||||||||
|
Considerable |
Belangrijk |
||||||||||||
|
Contentieuze jurisdictie |
Rechtspraak
in geschillen. Onderverdeeld in criminele en civiele zaken. Deze zaken werden
ingeschreven in een re-gister ('rol'). In de criminele zaken vindt men de
voort-gang van de gerechtelijke procedures. De stukken die op die procedures
betrekking hadden worden in afzonder-lijke registers of procesdossiers
gevonden. Dit zijn onder-meer verklaringen ('attestaties'), ondervragingen
('interrogatoria'), bekentenissen (confessiën), gerechtelijke uitspraken
(sententies) en lijkschouwingen (visitaties) zijn. |
||||||||||||
|
Contersegel (m) |
Kleine zegel gedrukt op de
achterzijde van het grote zegel. |
||||||||||||
|
Contrahenten (m) |
Contractanten |
||||||||||||
|
Contraheren (m) |
Contracteren, overeenkomst
sluiten. |
||||||||||||
|
Coopslach (m) |
Zie Palmslach |
||||||||||||
|
Coormiede (m) |
Opbrengst
van het "bestehooft" of "cateil", het beste stuk uit de
nalatenschap van een horige, keurmedige", door de heer krachtens zijn
recht te kiezen. Ook: Cuermede |
||||||||||||
|
Cormietsliede (m) |
Personen die
verplicht zijn tot "coormiede", daaraan onderworpen. Ook:
Coormiedge liede, Cuermietsliede”. |
||||||||||||
|
Contrarie |
In strijd
met |
||||||||||||
|
Contravieerende |
Er tegen in
gaan |
||||||||||||
|
Convent |
Klooster |
||||||||||||
|
Coormiedge liede (m) |
Zie Cormietsliede |
||||||||||||
|
Cope |
Koopovereenkomst
waarbij men van de graaf het recht kocht om een stuk land te ontginnen
(Boskoop, Nieuw-koop, Benschop). |
||||||||||||
|
Costume |
Gewoonterecht |
||||||||||||
|
Costuymen |
Gebruik |
||||||||||||
|
Count |
Graventitel
voor adel buiten Engeland. De binnenlandse titel is "Earl". De
echtgenotes van beide heten "Coun-tess". |
||||||||||||
|
Cuermede (m) |
Zie Coormiede |
||||||||||||
|
Cuermietsliede (m) |
Zie Cormietsliede |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
D |
|
||||||||||||
|
Dachmael (m) |
Dagmaal,
stuk land, zo groot als in één dag beploegd kan worden, vierde deel van een
bunder. |
||||||||||||
|
Dachmaet (m) |
Dagmaat, het
in één dag gemaaide en vervolgens: zoveel land als iemand in één dag kan
maaien, t.w. een halve morgen. |
||||||||||||
|
Dachwant (m) |
Dagwand,
zoveel land als iemand in een dag kan wenden, d.i. omploegen kan en vandaar
als landmaat: een vierendeel = het vierde van een bunder = 100 roeden. |
||||||||||||
|
Daeraff |
Daarvan, waarvan |
||||||||||||
|
Dagvaert |
Vergadering, landdag,
rechtszitting |
||||||||||||
Denier |
Betaalmiddel:
Denier: oude
munt, 24 mijten = een groot of denier; 12 denieren of groten = een schelling;
20 schellingen = een pond. De denier is
de voor-loper van de penning (vgl. de Engelse penny). De denier is
vergelijkbaar met onze stuiver. (ca 11e eeuw). |
||||||||||||
|
Denombrement |
Een door de
leenman (vazal) geschreven opsomming van de landgoederen, cijnsen en andere
rechten, die hij hou-dende is van de leenheer. |
||||||||||||
|
Deponeren |
In rechte verklaren dat
iets gebeurd of het geval is |
||||||||||||
|
Derdehalf |
Twee- en een half |
||||||||||||
|
Derogatie |
Gedeeltelijke opheffing
van een wet. |
||||||||||||
|
Derogeren |
Afbreuk doen, inbreuk
maken, afwijken van de wet. |
||||||||||||
|
Descendenten |
Verwanten in dalende linie |
||||||||||||
|
Dessein |
Oogmerk, doel plan |
||||||||||||
|
Die een den ander |
Elkaar |
||||||||||||
|
Dienstmaagd |
Meid hetzij jong of niet
en eventueel weduwe. |
||||||||||||
|
Different |
Geschil, onenigheid,
kwestie |
||||||||||||
|
Dilligentie |
IJver, inspanning,
aandacht |
||||||||||||
|
Ding |
Volksvergadering
bij oude Germaanse volken. (stamding). Het bestuurde en deed rechtspraak en
werd oorspronke-lijk in de openlucht gehouden. |
||||||||||||
|
Dingen |
Rechtspreken |
||||||||||||
|
Disapprobatie |
Afkeuring |
||||||||||||
|
Dobbe |
Kuil, of een in het veen
gegraven water. |
||||||||||||
Doopinschrijving |
Kerkelijke
inschrijving van een doop. De inschrijving be-vat meestal de doopdatum (soms
de geboortedatum), de voornaam of voornamen van de gedoopte, de namen van de
ouders en de getuigen. Soms wordt ook vermeld in welk gedeelte (gehucht,
plaats) van de kerkelijke gemeente de ouders van de dopeling wonen. |
||||||||||||
|
Dossier |
Een reeks
archiefbescheiden, ontvangen en opgemaakt door een functionaris in de
behandeling van een bepaalde zaak. |
||||||||||||
|
Dragonders |
Oorspronkelijk
de Franse bereden infanterie of de lichte calaverie. De ongunstige
bijbetekenis van dit woord gekregen door de Dragonnades, een maatregel van
Lodewijk XIV om, van 1681 af, door inkwartiering weerspannige Hugenoten tot
het katholicisme te bekeren. Tot 1867 bestond de naam ook in Nederland,
daarna werd deze naam veranderd in Huzaren. |
||||||||||||
|
Drossaard |
Dat was
oorspronkelijk een tafel dienaar maar later een kasteelbewaarder en was ook
een rechtsprekende vertegenwoordiger van de kasteelheer in diens gebied. |
||||||||||||
|
Drossaardschap |
De waardigheid, gebied van
de drossaard. |
||||||||||||
|
Drost |
Benaming voor drossaard,
baljuw en schout in N. Neder-land. |
||||||||||||
|
Drostin |
Vrouw van de drost. |
||||||||||||
|
Duplicque |
Tweede maal dat in een
rechtshandeling de gedaagde het woord krijgt (=dupliek). |
||||||||||||
|
Douarière |
Adellijke weduwe. |
||||||||||||
DTB |
Afkorting
voor doop-, trouw- en begraafregisters. Deze van oorsprong kerkelijke
registers zijn bij de invoering van de burgerlijke stand - in 1811 -
gevorderd en samen-gebracht in een collectie om als "retroacta van de
burger-lijke stand" (RBS) of "ode burgerlijke stand" (OBS) te
dienen. Deze registers zijn in te zien in het Rijksarchief (m.u.v. de grote
gemeenten), gemeente- of streekarchief. |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
E |
|
||||||||||||
|
Echtscheidingsakte |
Een akte ter
ontbinding van een huwelijk. Wordt inge-schreven in het register van
huwelijken en echtschei-dingen. Deze inschrijving dient plaats te vinden
binnen 6 maanden van de rechterlijke uitspraak door de ambte-naar van de
burgerlijke stand, anders verliest het vonnis zijn rechtskracht. De
inschrijving vindt plaats in de gemeente waar het huwelijk is voltrokken. Na
deze in-schrijving is het huwelijk officieel ontbonden. De akte vermeldt de
naam, voornamen en woonplaats van de echt-genoten; de datum van het vonnis en
de rechtbank die de uitspraak deed. De ontbinding van het huwelijk wordt ook
in de linker marge van de huwelijksakte aangetekend |
||||||||||||
|
Emigratie |
Vertrek uit een land of gebied. [migratie, het veranderen van woonplaats; immigratie, vestiging vanuit een ander land of gebied]. In de 17e en 18e eeuw waren er ruime mogelijkheden voor vestiging in een Nederlandse kolonie in een van de andere werelddelen. Anderen gaven de voorkeur aan vestiging in een ander Europees land, waar de omstandigheden minder verschilden van die in eigen land. In de 19e eeuw kreeg de emigratie vanuit Nederland enige omvang. Vooral Amerika, wat al tientallen jaren in trek was bij Duitsers en Engelsen. In 1850 bleken er bij de tienjaarlijkse volkstelling tienduizend personen in de Verenigde Staten te wonen die in Nederland waren ge-boren. Over het algemeen waren deze personen nog maar enkele jaren in de Verenigde Staten. Vooral kwamen zij voor in de staten New York, New Jersey, Michigan en minder in Iowa. In de beide laatste staten waren het voor-al Afgescheidenen en Hervormden, die in groepen bijeen bleven wonen rond de predikanten die hun uittocht uit het vaderland hebben geleid.
|
||||||||||||
|
Erflater |
Iemand die
een erfenis nalaat. |
||||||||||||
|
Erfenis |
Het erven,
wat een overledene nalaat of wat men van hem erft. |
||||||||||||
|
Erfachtig (m) |
Erfachtig, volgens een
erfelijk recht, erfelijk. |
||||||||||||
|
Erfachtigheid |
(erfdeel
aan) vaste goederen, "een vrauwe en vermach huer propre erfachtigheid
niet te vercopene, veralieneerne noch belastene tot behoef van eenen derden
persoon, zon-der expres consent.….. van hueren man" (Cost. van Gent,
a.o. 1563). |
||||||||||||
|
Erfbrief |
Stuk dat tot
bewijs strekt van eigendomsrecht op vaste goederen. |
||||||||||||
|
Erfcijns |
Cijns op een
onroerend goed rustende, waartoe ieder volgend bezitter verplicht is. |
||||||||||||
|
Erfclage (m) |
Aanklacht
met betrekking tot een onroerend goed. |
||||||||||||
|
Erfcommer (m) |
Erfelijke
rente. |
||||||||||||
|
Erfcoren (m) |
Erfrente te
voldoen in graan. |
||||||||||||
|
Erfcusten (m) |
Verbintenis
op een erf gevestigd, ook custinge van erven. |
||||||||||||
|
Erfdeel |
Wat iemand
als zijn deel uit een nalatenschap toekomt of wat hij zodanig ontvangt; bezit
dat iemand door erfenis verkregen heeft of verwerft. |
||||||||||||
|
Erfdeling |
Deling van
een erfenis; "dat op heden ter camere ver-schenen is ... vertoonende
seckere acte van erfdeyling en cessie by maghescheyd". |
||||||||||||
|
Erfdienstbaarheid |
Dienstbaarheid
die op een erf rust; erfdienstbaarheid is een last waarmede een erf bezwaard
is, tot gebruik en ten nutte van een erf, het welk aan eenen andere eigenaar
toebehoort. |
||||||||||||
|
Erfdrager |
Iemand die het erf bezit,
de naakte eigendom bezit tegenover de tochtenaar die de opbrengst geniet. |
||||||||||||
|
Erfedele |
Degene die de waardigheid
van eerste edele als erfelijk recht bekleedt. |
||||||||||||
|
Erfelijchede (m) |
Erfelijkheid.
De eigenschap door vererving overdraag-baar te zijn; erfelijkheid in de
onderling vermaagschapte geslachten met betrek-king tot het bekleden van
bestuurs-posten, bij voorbeeld: de Brusselse geslachten bezaten het
exclusieve recht de stad te besturen. |
||||||||||||
|
Erffghevinghe |
Erfpacht "By
erffghevinghe mach men constitueren soo vele onquytbaer renten ende grondt
chynsen als den erf-gever ende erfnemer belieft" (Costuyme van
Antwerpen, 2, 422, a.o. 1582). |
||||||||||||
|
Erfgerechtigde |
Iemand die recht heeft in
een nalatenschap. |
||||||||||||
|
Erfgever |
Iemand die tegen erfpacht
afstand doet van een vast goed. |
||||||||||||
|
Erhaeflic (m) |
Zie Erfhavelyc |
||||||||||||
|
Erfhavelijc goet (m) |
Aangeërfd
roerend goed. |
||||||||||||
|
Erfhavelyc (m) |
Aangeërfd
roerend goed. Ook: Erhaeflic. |
||||||||||||
|
Erfhuus (m) |
Erfhuis,
boelhuis, opengevallen boedel. |
||||||||||||
|
Erfkind |
Erfzoon,
erfdochter. |
||||||||||||
|
Erflaet (m) |
Erfelijk
cijsnman. |
||||||||||||
|
Erflating |
Het vermaken
van enig bezit aan een bepaald erfgenaam; bezit dat men als erfenis aan
iemand nalaat. |
||||||||||||
|
Erfling |
Erflink,
erfgenaam. |
||||||||||||
|
Erfmagescheit (m) |
Erfmaechgescheit
(m) |
||||||||||||
|
Erfmagescheidinge |
Toewijzing
van erf aan de verschillende magen van dezelf-de erflater; boedelscheiding
met betrekking tot grond-bezit. |
||||||||||||
|
Erfmombaer (m) |
Voogd door erfrecht,
krachtens bloedverwantschap tot de voogdij geroepen. Ook: Erfmomboor. |
||||||||||||
|
Erfmomboor (m) |
Zie Erfmombaer |
||||||||||||
Erfnaam |
Erfgenaam |
||||||||||||
|
Erfoom |
Oom van wie men een
erfenis verwacht; suikeroom. |
||||||||||||
|
Erfpacht |
Pacht, waarvan de duur
niet aan het leven van de pachter gebonden is en die op diens erfgenamen
overgaat. Gewoonlijk in toepassing op een pacht voor eeuwig. |
||||||||||||
|
Erfpand |
Pand gevormd door vast
goed. |
||||||||||||
|
Erfrente |
Verschuldigde rente, die
niet vervalt bij de dood van de trekker, overdraagbare verschuldigde rente. |
||||||||||||
|
Erfrogge (m) |
Hoeveelheid rogge die
jaarlijks als cijns of pacht moet worden uitgekeerd. |
||||||||||||
|
Erfschatter |
Schatter van vaste
goederen, "Schattinghe van huysen, hoven ende andere edificien by den
huys- ende erfschat-ters". |
||||||||||||
|
Erfscheder (m) |
Erfscheider, landmeter,
rooimeter, grensbepaler, persoon die de grenzen van een grondbezit vaststelt. |
||||||||||||
|
Erfscheiding (m) |
Afpaling van vaste
goederen; verdeling van een nalaten-schap. |
||||||||||||
|
Erfscheitbrief (m) |
Akte over verdeling van
onroerend goed. |
||||||||||||
|
Erfschot (m) |
Erfelijke
landrente aan de landheer verschuldigd. |
||||||||||||
|
Erfside (m) |
De zijde
waarvan een goed aangeërfd is. |
||||||||||||
|
Erfsoene (m) |
Een deel van
de som, die voor een verslagene (vermoorde) als zoengeld betaald wordt. |
||||||||||||
|
Erfstelling |
De
aanwijzing van een erfgenaam of erfgenamen en ver-volgens beschikking over
een nalatenschap |
||||||||||||
|
Erfstocgoet (m) |
Erfelijk
familiegoed. |
||||||||||||
|
Erfstuk |
Voorwerp van
enige waarde, dat reeds meer dan één generatie familiebezit is. |
||||||||||||
|
Erftante |
Tante van
wie men verwacht te zullen erven; suikertante. |
||||||||||||
|
Erfte (m) |
Geslacht |
||||||||||||
|
Erftins (m) |
Erftijns,
vaste uitkering uit een onroerend goed te betalen aan de eigenaar; het goed
dat tegen zulk een uitkering wordt uitgegeven heet men erftinsgoet. |
||||||||||||
|
Erftocht |
Erfelijk
vruchtgebruik, "erf-togt is dewelk met de het le-ven van den mensch niet
is bepaald, maar van den een op den anderen oversterft". |
||||||||||||
|
Erfvoogd |
Erfelijk
voogd of bevelhebber. |
||||||||||||
|
Erfvorewerde (m) |
Erfelijke
overeenkomst, die niet ophoudt te werken met de dood der contracterende
partijen. Ook: Erfvorewerde. |
||||||||||||
|
Erfvorewaerd (m) |
Zie
Erfvorewerde |
||||||||||||
|
Erfwagen (m) |
Het
jaarlijks leveren van een bespannen wagen, als leen-plicht. |
||||||||||||
|
Erfwech (m) |
Erfelijke
toegang tot een omsloten stuk land. |
||||||||||||
|
Erfwissel (m) |
Ruiling van
onroerend goed. |
||||||||||||
|
Erfwinnige (m) |
Het
verkrijgen van onroerend hofhorig goed; de som bij de verkrijging ervan aan
hofheer te betalen. |
||||||||||||
|
Erfzoen |
"Tot
deze zoen wierd by magen des handadigen seecker geld opgebracht, 't welck
genoemd wierd maeggeld; ende 't selve geld wierd voor de erfzoene ghenoten by
de kinderen des overledens" (De Groot, Inl. III, 32, 7). |
||||||||||||
|
Ervesetter (m) |
Wetgever |
||||||||||||
|
Erffenis |
Grondeigendom |
||||||||||||
|
Erfhuiscedullen |
Boedelbeschrijvingen, boedelinventarissen. |
||||||||||||
Erhaeflic |
Zie |
||||||||||||
|
Ergo |
Dus |
||||||||||||
|
Estamatiën |
|||||||||||||
|
Evene (m) |
Zware haver, ruwe haver,
rouwe haver. Sommige te be-talen cijnsen bestonden in evenen (=even) |
||||||||||||
|
Evenknie |
Bloedverwanten die tot elkander in dezelfde graad van
verwantschap staan.
|
||||||||||||
|
Evenmate (m) |
Maat voor haver en andere granen. |
||||||||||||
|
Evenrente, evenschult (m) |
Schuld of rente in haver uit te betalen. |
||||||||||||
|
Evenschoof (m) |
Haverschoof. Staat in verband met het betalen van een tiend. |
||||||||||||
|
Evensetter (m) |
Een bepaalde maat voor haver. |
||||||||||||
|
Examen (m) |
Onderzoek, verhoor, vooral de pijnbank. |
||||||||||||
|
Exatiën (m) |
Belastingen
|
||||||||||||
|
Excijs |
Exsijs, exchijns. |
||||||||||||
|
Excijsmeester (m) |
Ambtenaar belast met het innen der "excisen". |
||||||||||||
|
Excisenaer (m) |
Pachter der accijnsen. Ook
Exsijsenaer, Exsiser. |
||||||||||||
|
Exsijsenaer (m) |
Zie Excisenaer |
||||||||||||
|
Exsiser |
Zie Excisenaer |
||||||||||||
|
Extimeren |
Taxeren, schatten |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
F |
|
||||||||||||
|
Failissement |
Toestand
waarin iemand verkeert die niet meer in staat is zijn financiele
verplichtingen na te komen en op wiens bezittingen daaraan beslag is gelegd. |
||||||||||||
|
Familiegeschiedenis |
Een met
allerlei bijzonderheden verrijkte genealogie, die de mensen uit het verleden
als het ware doet herleven, tegen de achtergrond van hun tijd en omgeving. |
||||||||||||
|
Familienaam |
De naam die
de leden van een familie dragen. Dit in tegenstelling tot die van een
voornaam. |
||||||||||||
|
Familienaam toevoegen |
Naamswijziging door het
toevoegen van een familienaam is mogelijk: |
||||||||||||
|
Familieraad |
Bijeenkomst
van de leden ener familie tot regeling van gemeenschappelijke of wederzijdse
belangen. |
||||||||||||
|
Familietrek |
Gelijkenis van familieleden onder elkander, ook figuur-lijk. |
||||||||||||
|
Familierecht |
Een hoofdonderdeel van het privaatrecht dat de rechts-betrekkingen (de gevolgen van huwelijk, afstamming en voogdij) voortvloeiend uit het familieverband regelt. Het familierecht bepaalt de plaats van de natuurlijke persoon. Daar het een sterke publiekrechtelijke inslag heeft (omdat het de vragen van algemeen menselijke aard omvat die de grondslagen van een samenleving bepalen) is het over-wegend dwingend recht.
|
||||||||||||
|
Familieverwantschap |
Filiatie, afstamming. |
||||||||||||
|
Feudium |
Een goed in leen waarvoor
leenhulde verschuldigd was. Dit in tegenstelling tot het allodium. |
||||||||||||
|
Filiatie |
Familieverwantschap,
afstamming. |
||||||||||||
|
Fragmentgenealogie |
Deel van een genealogie,
wat tenminste uit drie generaties bestaat. |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
G |
|
||||||||||||
Gaardersregister |
In Holland
(het tegenwoordige Noord- en Zuid Holland en enige Utrechtse en Brabantse
grensplaatsen) werd van 1696 tot en met 1805 belasting op het trouwen en
begra-ven geheven. De 'gaarders' van deze belastingen hielden registers bij
van de ontvangsten. Deze registers vermelden niet de trouw of begraaf datums,
maar de datums tot welke belastingklasse de betrokkenen behoorden. Er waren
vijf klassen: pro deo, Fl 3,-, Fl 6,-, Fl 12,-, en Fl 30,-, al naar de
welstand van de betrokkenen. Voor ongehuw-den werd dubbel tarief betaald. De
gaarders- of impos-tregisters zijn te vinden in de rijksarchieven |
||||||||||||
|
Gade |
Eega,
echtgenoot, echtgenote. |
||||||||||||
|
Gebaren (m) |
Ter wereld
brengen. |
||||||||||||
|
Gecanceleert (m) |
Geschrapt,
doorgehaald (bv. een schepenbrief) of door insnijdingen ongeldig gemaakt. |
||||||||||||
Geconquesteerde goederen |
Zijn nieuw
aangekochte goederen tijdens een huwelijk. |
||||||||||||
|
Gederfde goederen |
Goederen
reeds verkocht vóór het afsterven van erflater. |
||||||||||||
Geëxpedieerde akte |
Is een in het net geschreven afschrift van een minuut dat men aan de
betrokkende medegeeft. |
||||||||||||
|
Geadmiteert |
Aangesteld |
||||||||||||
|
Geallieerd |
Door
huwelijk verbonden, verwant. |
||||||||||||
|
Geattesteerd |
Verklaring
afgelegd |
||||||||||||
|
Geboerlic |
Behoorlijk |
||||||||||||
|
Geboorte aangiftebewijs |
Officieel
bewijsstuk met aktenummer, datum van geboor-te, de gemeente, de familienaam
en voornaam of voorna-men van de geborene, de eigen familienamen en voornaam
of voornamen van de ouders, datum van afgifte bij de ge-boorte aangifte en
voorzien van een stempel of waarmerk van de gemeente. |
||||||||||||
|
Geboorteakte |
Officieel
bewijsstuk met datum (en geboortetijdstip), plaats (gemeente), adres van geboorte
van de met familie-naam en voornaam of voornamen geborene; de ouders met
eigen familienaam en voornaam of voornamen met hun beroep(en), de aangever
met leeftijd. Het geheel voor-zien van een registratie- of aktenummer en
stempel en ge-waarmerkt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
gemeente waar de aangifte plaats vond. |
||||||||||||
|
Geburen |
Vergelijkbaar
met schepenen of kroosheemraden. Gebu-ren kwamen voor in gebieden met
aasdomsrecht. Schepenen hoorden thuis in gebieden met schependoms-recht. |
||||||||||||
|
Geconstitueerde |
Die aangesteld is |
||||||||||||
|
Gegoed |
Bemiddeld |
||||||||||||
|
Gelden |
Betalen, voldoen |
||||||||||||
|
Gemeynt |
Gemene gronden |
||||||||||||
|
Geneagram |
Is een
overzichtstabel waaruit de gemeenschappelijke af-stamming van twee of meer
personen blijkt. Men kan bij-voorbeeld weergeven hoe verschillende personen
(b.v. met eenzelfde beroep of begaafdheid) een gemeenschappe-lijke voorvader
hebben. |
||||||||||||
|
Generaelijck |
In het algemeen, over het
geheel genomen |
||||||||||||
|
Generatie |
Men berekent drie
generaties per eeuw. |
||||||||||||
|
Geperpetreert |
Begaan |
||||||||||||
|
Geselnede (m) |
Gezellin, compagne,
echtgenote. |
||||||||||||
|
Gesibbe (m) |
Verwant. Ook: Gesibschap. |
||||||||||||
|
Gesibschap (m) |
Zie “Gesibbe” |
||||||||||||
|
Gesoncken |
Bijgezet, begraven. |
||||||||||||
|
Gestaetheyt (m) |
Staat, stand, vermogen,
gegoedheid. |
||||||||||||
|
Gevadere (m) |
Peetvader, doopvader,
peetemoei, doophefster. |
||||||||||||
|
Gevaderschap (m) |
Peeterschap, peet. |
||||||||||||
|
Gevadersche (m) |
Doopmoeder |
||||||||||||
|
Gestaetheyt |
Staat, stand, vermogen |
||||||||||||
|
Geslachtsregister |
Een
genealogie die de mannelijke afstammelingen aan-geeft van een
echtpaar. Wanneer ook alle afstammelingen in vrouwelijke linies vermeld dan
spreekt men van een parenteel. |
||||||||||||
|
Gezinskaart |
Een kaart
uit een losbladig kaartsysteem. Dit kaartsys-teem werd bij Koninklijk Besluit
in 1920 ingevoerd. Deze kaarten werden voorzien van de gegevens van een gezin
en verhuisde mee wanneer het gezin verhuisde. De gezins-kaart werd in 1938
vervangen door de persoonskaart. |
||||||||||||
|
Ghebode |
Bevel, verordening |
||||||||||||
|
Gheestland |
Droge, onvruchtbare grond |
||||||||||||
|
Gichten |
De benaming in Limburg
voor schepenakten. |
||||||||||||
|
Gilde |
Ook wel
genoemd het Gild, ambachtsvereniging met be-paalde voorrechten (opgeheven in
Nederland in 1798) |
||||||||||||
|
Gildenboek |
Een boek wat keuren,
reglementen, akten, e.d. bevat. |
||||||||||||
|
Gildenbrief |
Bewijs van
lidmaatschap van een gilde of een geschrift waar de rechten van een gilde in
staan. |
||||||||||||
|
Gildenbroeder |
Lid van een gilde. |
||||||||||||
|
Gildendeken |
Hoofd van een gilde. |
||||||||||||
|
Gildehuis |
Het verenigingsgebouw van
een gilde. |
||||||||||||
|
Gildekamer |
Het verenigingslokaal van
een gilde. |
||||||||||||
|
Gildenkeuren |
Rechten van een gilde. |
||||||||||||
|
Gildeknaap |
Gildeknecht – gildebode. |
||||||||||||
|
Gildenmaal |
Feestmaal van een gilde. |
||||||||||||
|
Gildenmeester |
Hoofd van een gilde. |
||||||||||||
|
Gildenpatroon |
Beschermheilige van een
gilde. |
||||||||||||
|
Gildenpenning |
penning als bewijs van
lidmaatschap van een gilde |
||||||||||||
|
Gildenproef |
Een meesterstuk gemaakt
voor het volbrengen van een proefstuk om lid van een gilde te worden. |
||||||||||||
|
Gildenrecht |
Recht als lid van een
gilde om bijvoorbeeld een beroep uit te oefenen |
||||||||||||
|
Gildenwezen |
Bestaan en inrichting van
gilden. |
||||||||||||
|
Graaf |
Een
graaf was oorspronkelijk een landsheerlijk ambtenaar die belast was met de
opperste rechtspraak in een landschap en een graaf werd later in de tijd ook
zelf landsheer. In Nederland is graaf het hoogste adellijke predikaat. |
||||||||||||
|
Grafboek |
Boek waarin
per graf opgetekend wie erin begraven lagen. Er werd ook vermeld wie de
eigenaar of huurder van het graf was en wie er met name in begraven lagen.
Soms wordt er de begraafdatum bij vermeld. De grafboeken zijn veelal te
vinden in de kerken. |
||||||||||||
|
Grasmaand |
April |
||||||||||||
|
Grietenij |
Oude naam in
Friesland voor een aantal dorpen die onder een grietman stonden. Het was het
grietmansambt en het recht daarop sinds de 13e eeuw. In deze eeuw werden in
de staatkundige eenheden Friesland delen gevormd. Zo ging in Westergoo het
Land van Franeker uit vijf delen bestaan. Dit werden Barradeel,
Hennaarderadeel, Baarde-radeel, Menaldumadeel en Franekeradeel. Van het
Oos-tergoo, Sevenwouden en het oudere Sudergoo is van de vorming van
grietenijen weinig bekend. In de 15e eeuw zijn deze delen zelfstandig. Dit
als gevolg van een weg-vallende samenwerking. In de Franse tijd (1795-1815)
verloor zij haar rechterlijk orgaan. Bij de Gemeentewet van 1851 ging de naam
grietenij over in gemeente |
||||||||||||
|
Grietman |
(letterlijk: hij die
'groet', in rechte aanspreekt, vordert) Een sinds de 13e eeuw belaste
ambtenaar met bestuurlijke en rechterlijke functies van een grietenij. Eerst
gekozen of bij toerbeurt aangewezen. In de 15e eeuw benoemd door de
landsheer. Tijdens de Republiek door Gedeputeerde Staten en stemgerechtigden.
De Franse tijd hief het griet-mansambt op en de Gemeentewet van 1851 maakte
hem burgemeester. |
||||||||||||
|
Grondboek |
Ommeloper;
een register bevattende de denombrementen van personen die leenplichtig waren
onder een heerlijk-heid met vermelding van hun cijnsen en andere
verplich-tingen. |
||||||||||||
|
Gronddief |
Iemand die grond van een
ander inpalmt door verplaat-sing van de scheidingspalen. |
||||||||||||
|
Grondeigenaar |
Hij die de eigenaar is van
stuk grond te weten in tegenstel-ling met de gebruiker, huurder, erfpachter,
enz. |
||||||||||||
|
Grondhorigen |
Lijfeigenen die bij de
grond behoorden, bij verkoop van de grond gingen zij mede over aan de nieuwe
eigenaar. |
||||||||||||
|
Grootheer (m) |
Grootvader. |
||||||||||||
|
Grootvrauwe (m) |
Grootmoeder. |
||||||||||||
|
Grosse |
Naar de
oorspronkelijke opvatting een in het net, met grote, duidelijke letters
gesteld afschrift van een ambtelijk stuk, de grosse staat tegenover de minuut
te weten het in klein schrift gestelde ontwerp of origineel; de grossen
hebben dezelfde bewijskracht als de oorspronkelijke akten. |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
H |
|
||||||||||||
|
Haeffelijke (goederen) |
Roerende goederen |
||||||||||||
|
Halfscheid |
Helft, half |
||||||||||||
|
Halfwinningen |
De halfwinning was het
recht te profiteren van de helft van de vruchten gewassen op zekere gronden. |
||||||||||||
|
Halmelinge vertijden |
Door middel van de halm
afstand doen |
||||||||||||
|
Halsheerlycheit |
Halsheerlijkheid, een heerlijkheid
met laag en hoog gerecht |
||||||||||||
|
Halseigen (m) |
Over wiens leven een ander
naar willekeur beschikken kan. |
||||||||||||
|
Halsen (m) |
Onthalzen, onthoofden, ook
in de betekenis van omhelzen. Ook Helsen. |
||||||||||||
|
Halsgerechte (m) |
Halsgerecht, het hoge
gerecht, de bevoegdheid om het doodvonnis uit te spreken, criminele
rechtbank. |
||||||||||||
|
Halsheerlycheit |
Halsheerlijkheid, een
heerlijkheid met laag en hoog gerecht d.i. halsrecht. |
||||||||||||
|
Halshere (m) |
Halsheer: hij die over
iemand leven en dood beschikken kan, heer van een heerlijkheid met halsrecht. |
||||||||||||
|
Halshouwer (m) |
Beul. |
||||||||||||
|
Halshuggen (m) |
Zie “Halshouwer” |
||||||||||||
|
Halsiser (m) |
Halsijzer, halsboei,
halsbeugel, ijzeren band om de hals waarmede een misdadiger vastgeklonken. |
||||||||||||
|
Halslossinge |
Het afkopen van een
rechtmatige doodstraf. |
||||||||||||
|
Halsmisdaad |
Misdaad waarop de
doodstraf staat. Als een halsmisdaad aanrekenen. |
||||||||||||
|
Halsrecht |
Voltrekking van de
doodstraf "er wordt heden halsrecht gehouden". |
||||||||||||
|
Halsrechter |
Rechter die een doodvonnis
kan uitspreken. |
||||||||||||
|
Halsstraf |
Doodstraf |
||||||||||||
|
Hancman (m) |
Scherprechter die de
dieven opknoopt. |
||||||||||||
|
Handmerk |
(of
huismerk) is een persoonlijk merkteken om bezittingen of koopwaar mee te
merken. Vanaf de 6e eeuw zijn hand-merken bekend. Waarschijnlijk zijn ze nog
ouder en worden wel eens in verband gebracht met de runentekens, doch dit is
nog niet aangetoond. Wel is er verwantschap met metselaarstekens,
handelsmerken, meestertekens. Zij die niet konden schrijven ondertekenden
dikwijls met een handmerk of het werd als versiering aangebracht. Het
handmerk had in plaats van de handtekening bewijs-kracht. Het kreeg een
erfelijk karakter. Het ging onver-anderd over op de oudste zoon terwijl er
door de verwan-ten een persoonlijke variatie aan werd toegevoegd. Met een
handmerk werd eerst door burgelijk families geze-geld. Later werden deze
handmerken soms in kleur op een schild gezet of als helmteken op de helm
geplaatst. |
||||||||||||
|
Hanteringe |
Omgang |
||||||||||||
|
Havelick, oft roerelick
goet (m) |
Tilbaar goed zoals
meubelen, veestapel, alaam enz... |
||||||||||||
|
Havertiend |
|
||||||||||||
|
Heemraden |
Vertrouwensmannen
binnen een dorp, vergelijkbaar met de huidige wethouders. Zij hadden de zorg
voor wegen, sloten en dijken. Ook wel Kroosheemraden. |
||||||||||||
|
Heer |
Was in de
vroege middeleeuwen een (prerogatief) recht (voorrecht) wat ridders en
geestelijken hadden voor en boven anderen. Leest men in een vroeg middeleeuws
staatsstuk waarbij aan personen of lichamen speciale rechten werden toegekend
(charter), bijvoorbeeld Heer Walterus of Heer Floris, dan weet men dat op het
moment dat dit charter gepasseerd werd Walterus en Floris rid-ders of
priesters waren. Vaak werd deze naam aangevuld (bij gelijke naam ter
onderscheid) met de naam van hun klooster of stamhuis (slot, kasteel), waar
zij woonden. (Heer Walterus van Gerkesklooster, Heer Floris van Aemstel).
Heer was dan een persoonlijke titel en klooster of stamhuis een toevoeging
ter verduidelijking. Later ont-leende men de titel Heer aan zijn bezit en
duidde de titel Heer aan, dat men eigenaar van het genoemde huis was. (Heer
van Aemstel). Toen de ridderslag in ongebruik raakte bleef deze titel voor de
voornaam staan (Heer Floris van Aemstel, ridder) |
||||||||||||
|
Heerlijkheid |
Bezitting
van een gebied waaraan bepaalde rechten ver-bonden zijn. Eén van deze rechten
was de rechtspraak in dat gebied (jurisdictie). Had de Heer van een
Heerlijkheid het 'dagelix gerecht' (lage jurisdictie) over burgerlijke zaken
en kleine vergrijpen dan werd hij ambachtsheer ge-noemd en liet hij de
uitoefening van dat gerecht over aan een schout en schepenen. Bij het recht
van (hoge- of hals-jurisdictie) grote of capitale misdrijven werd de Heer
Vrij- of Halsheer genoemd. De ambachts- en vrijheren waren niet gebonden aan
een eigendom ter plaatse van land of een woning. Meestal in de eerste eeuwen
van het instituut van heerlijkheid hadden zij wel grondeigendom-men in hun
heerlijkheid, zo ook belang in de jurisdictie in dat gebied. |
||||||||||||
|
Heemraadschap |
Waterschap. |
||||||||||||
|
Heervaart |
Zie riemtalen
|
||||||||||||
|
Heemkunde |
Kennis van
de eigenaardigheden van volk en bodem in een bepaalde streek (streektaal,
volksgebruiken, natuurlijke gesteldheid, bestaansmiddelen, enz) |
||||||||||||
|
Heidens |
Zwervers of
zigeuners |
||||||||||||
|
Helm |
Helmvlies:
het vlies dat bij de geboorte het hoofd van som-mige kinderen omgeeft en
waarvan het bijgeloof bijzon-dere eigenschappen toeschreef o.a. de gave om
rampen te voorzien. Hij is met de helm geboren, 't is een gelukskind. |
||||||||||||
|
Helsen (m) |
Zie Halsen |
||||||||||||
|
Herfstmaand |
September |
||||||||||||
|
Hertog |
Een hertog was bij de germanen de naam
van de legeraanvoerde, later een stamhoofd, tegenwoordig een adelijke titel,
in rang boven de graaf . |
||||||||||||
|
Hoeve |
Oppervlaktemaat: 1 hoeve = 16½ morgen of ruim 14
ha. |
||||||||||||
|
Hoge heerlijkheid |
Hierbij had
de heer naast de rechten van een ambachts-heerlijkheid ook het recht de
hogere rechtspraak uit te oefenen. Zie ook ambachtsheerlijkheid en vrij
ambacht. |
||||||||||||
|
Hoochbailliu (m) |
Voorname of
voornaamste baljuw. Hoogbaljuw, was de
rechtstreekse vertegenwoordiger van de vorst en hoofd van het bestuur van het
land, van een kasselrij of van het ambacht (Graafschap Vlaanderen). |
||||||||||||
|
Hoochhuus (m) |
Slot, kasteel, huis van de
heer. |
||||||||||||
|
Hoofdelijke misdaad (m) |
Halsmisdaad |
||||||||||||
|
Hoogheemraden |
In latere
tijden werden de taken van de dorpse heemraden overgenomen door het
polderbestuur. Toen de polders zich aaneensloten tot grotere waterschappen
ontstonden de zgn. hoogheemraden. |
||||||||||||
|
Hooimaand |
Juli |
||||||||||||
|
Hugenoten |
Hugenoten,
Vooral van de 16e tot de 18e eeuw gebruikte benaming voor de protestanten
(calvinisten) in Frankrijk. |
||||||||||||
|
Hugenoten Kruis |
Kruis met
ankervormig omgebogen en door boogjes ver-bonden armen en met als hanger een
neerdalende duif. (Het wordt door protestanten, vooral in Frankrijk en
België, soms als herkenningsteken gedragen.). |
||||||||||||
|
Huwelijksbijlagen |
Stukken die ingeleverd
moeten worden als men gaat trouwen. |
||||||||||||
|
Huwlijksvoorwaarden |
In een akte vastgelegde
afspraken tussen echtgenoten over de verdeling van hun bezit. |
||||||||||||
|
Hypotheekakte |
Akte van een geldlening
waarvoor het eigendom als on-derpand dient |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
I |
|
||||||||||||
|
Iconografie |
Iconografie,
beeldbeschrijving. Een beschrijving van een prent, foto, schilderij, enz. die
op een persoon of bepaald voorwerp betrekking heeft. |
||||||||||||
|
Impetrant |
Eiser |
||||||||||||
Impost |
Belasting, heffing |
||||||||||||
|
Impostregister |
Zie Gaardersregister |
||||||||||||
|
Indemniteit, acte van |
Verklaring
van de plaats waaruit iemand vertrok dat in geval van armlastigheid de kosten
hiervan niet door de nieuwe woonplaats, maar door de oude gedragen zouden worden.
Dit was vaak een voorwaarde om in een nieuwe plaats te mogen gaan wonen. |
||||||||||||
|
Index |
Lijst waarin
namen alfabetisch zijn opgesomd met verwij-zing naar de vindplaats. |
||||||||||||
|
Insinueren |
Aanzeggen |
||||||||||||
|
Instandichede |
Teruggave of
vergoeding |
||||||||||||
|
Interesten |
Renten |
||||||||||||
|
Interrogatoria |
Ondervragingen |
||||||||||||
|
Item |
Idem,
vervolgens, eveneens |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
J |
|
||||||||||||
|
Jaergetide |
Het
jaarlijks op iemands sterfdag lezen van een mis voor het zieleheil |
||||||||||||
|
Jansenisme |
Stroming
binnen de katholieke kerk, ontstaan in de zeventiende eeuw. Het Jansenisme
onderscheid zich o.a. door strengere eisen aan de gesteldheid die wordt
vereist voor het ontvangen der sacramenten. In het begin der achttiende eeuw
leiden conflicten met Rome tot een volledig schisma. Vele Jansenisten
scheidden zich in de oud-katholieke kerk van Rome af. |
||||||||||||
|
Jonckwijf |
Dienstmaagd |
||||||||||||
|
Jongedochter |
Ongehuwde vrouw |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
K |
|
||||||||||||
|
Kadaster |
De dienst
van het Kadaster en de Openbare registers (KADOR) zorgt voor de registratie
van onroerend goed en alle wijzigingen die zich daarin voordoen. |
||||||||||||
|
|
kadaster, in
1832 (in Limburg 1841) ingevoerd om een rechtvaardige heffing van de
grondbelasting mogelijk te maken. Het is een door de Rijksoverheid gevoerde
administratie van zakelijke genotsrechten op de grond. Deze rechten worden
geboekt in de kadastrale legger en behoren met de kadastrale kaarten tot de
basis van de kadastrale archieven. |
||||||||||||
|
Kantongerecht /
Kanton-rechter |
Lagere
rechtbank dan een arrondissementsrechtbank. Ieder arrondissement is verdeeld
in kantons. Bestaat sinds 1838. Opvolger van vredegerecht/rechter. |
||||||||||||
|
Kapittel |
Een college
van geestelijken (kanunniken) dat gezamenlijk de zielszorg in een parochie
uitoefent |
||||||||||||
|
Karolus |
Ook wel karolus gulden.
Deze ontleende zijn naam aan Karel V. Hij kwam voor als gouden munt van 2,94
gram, maar ook als zilveren munt van 23,72 gram. Beide soorten hadden de
waarde van 20 stuivers. De munt werd gebruikt rond 1540. |
||||||||||||
|
|
Karolus-gulden,
een door Karel V in 1521 ingevoerde gouden munt ter waarde van 20 stuivers
met de afbeelding van de geharnaste keizer met scepter en rijksappel. In 1540
werd de zilveren Carolus, eveneens ter waarde van 20 stuivers, ingevoerd.
Hoewel deze munten na 1555 niet meer werden uitgegeven en daarna geheel
andere typen van een ander gewicht en gehalte werden geslagen bleef de
Carolus van 20 stuivers tot het einde van de 17de eeuw de rekenmunt.
De benaming werd in de loop van de tijd ver-kort tot Gulden. |
||||||||||||
|
Keizer |
Keizer
is de titel van de hoogste vorst. |
||||||||||||
|
Kerkbaljuw |
Roedrager,
kerkwachter, kerkeknecht, kerkbewaarder, die, gekleed in 't oude kostuum der
zwitserse gardes, de orde in de kerk bewaart. |
||||||||||||
|
Kinderen van getrouden
bedde (m) |
A.O. 1423: wettige
kinderen. |
||||||||||||
|
Kindskind |
Kleinkind |
||||||||||||
|
Klaringen |
Verklaring, beslissing, vonnis, uitspraak |
||||||||||||
|
Klift |
Generatie, waarschijnlijk
afgeleid van cluft, clucht. |
||||||||||||
|
Konkelleen |
Vrouwenleen, leengoed dat ook aan vrouwelijke erfgena-men kon overgaan. |
||||||||||||
|
Klinkaart |
Zie schildtalen |
||||||||||||
|
Kluftboeken |
Ook clauwboeken genoemd.
Registers van de omgang van het grietmansambt over de daarvoor in aanmerking
komende edele heerden of boerderijen in Groningen. |
||||||||||||
|
Knechtken |
Jongetje |
||||||||||||
|
Kog |
Zie Riemtalen |
||||||||||||
|
Koman |
koopman |
||||||||||||
|
Koning |
Is een
regerend vorst van een koningrijk. |
||||||||||||
|
Kozijn |
Koze, kozze, zoon van een
oom of tante, broer of zuster, neef of nicht |
||||||||||||
|
Kriebelziekte |
Ergotisme,
vergiftiging met moederkoorn, een op vochtige gronden voorkomende uitwas bij
graansoorten, vooral aan roggearen, die een vergiftigde werking heeft; bv.
brood gebakken van graan dat moederkoorn bevat kan de ziekte veroorzaken, het
kriebelend gevoel in het lichaam kan door verlamming, blindheid en zelfs de
dood gevolgd worden |
||||||||||||
|
Kroosheemraden |
Zie Heemraden |
||||||||||||
Kruishuwelijk |
Huwelijk
waarbij man A trouwt met vrouw B en de broeder van B huwt met de zuster van
A. |
||||||||||||
Kwartierdrager |
Probandus,
de persoon van wie de kwartierstaat
uitgaat. |
||||||||||||
|
Kwartierherhaling |
Wanneer de kwartierdrager meerdere keren van
dezelfde persoon afstamt. |
||||||||||||
|
kwartierstaat |
Een in
generaties gerangschikte opgave van de wettige voorouders van een bepaald
persoon. De naam is ontstaan uit de vier kwartieren van een wapenschild,
waarin men dan de wapens van de vier grootouders plaatste. Degene waar men
vanuit gaat noemt men de Kwartierdrager (of probandus) en is tevens de 1e
generatie. De ouders van de kwartierdrager zijn de 2e generatie (of de 1e
parentatie). |
||||||||||||
|
kwartierverlies |
Het meer dan
eenmaal voorkomen van dezelfde voorouder in een kwartierstaat. Dit kwam
veelal bij gesloten gemeen-schappen voor. |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
L |
|
||||||||||||
|
Landverhuizers |
Benaming
voor emigranten in de 19e en begin 20e eeuw. Te vinden in de Nederlandse
archieven. |
||||||||||||
|
Lapgetuige |
Tweede
getuige bij aangifte van geboorte, meestal een aanwezige die zijn diensten
aanbiedt en achteraf een fooi verwacht. |
||||||||||||
|
Laten ligghen |
Opzeggen |
||||||||||||
|
Leenheer |
Leenheer
ook wel Vazal genoemd. Iemand die zich in de Middeleeuwen onder de
bescherming van een machtig heer (meestal Koning of Keizer) gesteld had aan
wie hij als tegenprestatie diensten bewees. |
||||||||||||
|
Lentemaand |
Maart |
||||||||||||
|
Leviraat |
Zwagerhuwelijk,
huwelijk met de kinderloze weduwe van iemands broeder. |
||||||||||||
|
Lijfstraf |
Straf
waarbij lichamelijk leed werd toegebracht |
||||||||||||
|
Liste Civique |
Bevolkingslijsten
uit de jaren 1796 en 1811. Deze lijsten bevatten per plaats de gehele
volwassen mannelijke bevol-king met opgave van beroep en geboortedatum. Ze
zijn te vinden in de gemeentearchieven. Ook: Registre Civique |
||||||||||||
|
Lopik (Of Lobeke) (M) |
Bosbeek. De naam verwijst
naar een veenstroom die ten Noorden van de Lek stroomde (De huidige Lopiker
Wetering). |
||||||||||||
|
Louwmaand |
Januari |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
M |
|
||||||||||||
|
Maagschap |
Gezamelijke bloed- of
aanverwanten. |
||||||||||||
|
Maagtaal |
Lijst der bloed- en
aanverwanten bij het verdelen van een erfenis. |
||||||||||||
|
Maeg-geld |
Zie erfzoen |
||||||||||||
|
Mechtich maecken |
Machtigen |
||||||||||||
|
Maeg |
Verwant |
||||||||||||
|
Maegschap |
Verwantschap |
||||||||||||
|
Magescheidinge |
Boedelscheiding |
||||||||||||
|
Markgraaf |
Zie Markies |
||||||||||||
|
Markies |
Markies
is ook wel bekend als markgraaf. In de Karolingische tijd (rond 500) was een
markies een bestuurder of legeraanvoerder van een grensgebied. Later werd het
een vorstelijke of hoge adelijke titel. In 1581 werd het markizaat Veere
aangekocht door Prins Willem "de Zwijger" van Oranje-Nassau
(1533-1584). In België had men het markgraafschap Antwerpen dat al reeds voor
1008 bestond. In Engeland is de titel markies sinds 1442 in gebruik en ligt
tussen graaf en hertog. |
||||||||||||
|
Malversatie |
Slecht
beheer, ambtsontrouw, ontrouwe waarneming van een bediening; verduistering
van gelden. |
||||||||||||
|
Meerderjarig |
Personen
boven een bepaalde leeftijd, die niet meer onder het ouderlijk gezag staan. |
||||||||||||
Memorie van concessie |
Een na
iemands overlijden opgemaakte schriftelijke ver-handeling voor het bepalen
van de hoeveelheid successie-belasting door de erfgenamen betaald moet
worden. Hier-in wordt beschreven waaruit de erfenis bestaat, wat de waarde
ervan is en wie de erfgenamen zijn. Sinds het be-gin van de 19e eeuw moet in
Nederland belasting betaald worden over een erfenis. Deze belasting heet successie-recht. De memories die tussen 1817 en 1922 zijn opge-maakt worden in de
rijksarchieven bewaard. Niet van elke overledene een memorie van successie
bewaard gebleven. Verklaring
die na overlijden wordt opgemaakt over de nalatenschap. |
||||||||||||
|
Metten eersten |
Met de eerste gelegenheid die
zich voordoet, zo spoedig mogelijk. |
||||||||||||
|
Micke (m) |
Mik, een gaffelvormig
uitlopende paal die men als galg gebruikte. |
||||||||||||
|
Militie |
Leger, dienstplicht. |
||||||||||||
|
Minderjarig |
Kinderen die nog onder het
ouderlijk gezag staan. |
||||||||||||
|
Minuut |
Is de
oorspronkelijke akte, door de notaris bewaard waar-van hij gewaarmerkte
afschriften of grossen aflevert aan de belanghebbenden. |
||||||||||||
|
Mitigeren |
Verzachten, verlichten,
matigen |
||||||||||||
|
Moederssone (m) |
Onecht kind. |
||||||||||||
|
Moer |
Moeras |
||||||||||||
|
Momber |
Voogd over onmondigen |
||||||||||||
|
Momboirkamer |
Zie Weeskamer |
||||||||||||
Morgengeld |
Bijdragen
van de ambachten aan de kosten van het water-schap. Het morgengeld werd door
de ambachten weer om-geslagen naar de hoeven (verhoefslagen). Een hoeve is
een bepaald oppervlakte land waar één boerderij op werd ge-vestigd. |
||||||||||||
|
Mortificeren |
Tot geestelijk goed maken |
||||||||||||
|
Mud (mudde) |
Inhoudsmaat,
hectoliter, korenmaat van 120 pond (in Vlaanderen). Landmaat:
zoveel land als met een mud graan bezaaid kan worden (40 aren); |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
N |
|
||||||||||||
|
N.S. |
Nieuwe stijl
in de tijdrekenkunde; meestal wordt bedoeld de stijl waarbij het jaarcijfer
op 1 januari werd gewisseld, en niet met Pasen (Nederlanden), 25 maart
(Engeland) enz... |
||||||||||||
|
Nabestaande |
Bloedverwant
maar met meer verwijderde betrekkingen. |
||||||||||||
|
Nagelmagen |
Verwanten
van de zevende graad. |
||||||||||||
|
Nagelvriend |
Bloedverwantschap
werd eertijds uitgebeeld door een menselijk figuur. De nagel van de hand was
de zevende graad, daarna was er geen maagschap meer. |
||||||||||||
|
Nagelvriend |
(=
nagelmaag): bloedverwant in de zevende graad, verre bloedverwant. |
||||||||||||
|
Nalatenschap / erfenis |
Het vermogen
op het moment van overlijden. |
||||||||||||
|
Notarieel repertoire |
Een
chronologische lijst waarin elke akte op volgnummer, datum, onderwerp,
belanghebbenden, verkorte inhoud en verwijzingen naar andere akten vermeld
staan. |
||||||||||||
Notariele archieven |
Sinds de
middeleeuwen bestaat het notariaat in een aantal provincies van Nederland.
Tijdens de Republiek waren er notarissen in Brabant, Holland, Limburg,
Utrecht en Zeeland. In Friesland, Gelderland en Groningen in enkele plaatsen.
In 1811 werd het notariaat in heel Nederland ingevoerd. Onderzoek van akten
met betrekking tot huwe-lijkse voorwaarden, testamenten, boedelbeschrijvingen
en boedelscheidingen e.d. maken de notariële archieven belangrijk. Akten
opgemaakt door notarissen opgemaakt dienen als rechtsgeldig bewijs van wat erin
geformuleerd is. Zij worden ondertekend door de notaris, de getuigen en de
partijen. De originele akte noemt men een minuut. Deze minuut akten werden in
een band (protocol) samen-gevoegd. Het authentieke afschrift noemt men een
grosse. Deze worden aan de belanghebbenden uitgereikt. Notariële archieven
tot en met 1915 zijn te vinden in een archiefbewaarplaats (gemeente- of
streekarchief). Naast de archiefbewaarplaats zijn er ook notariële archieven
te vinden in de provinciale rijksarchieven. Notariële archie-ven tot 1915
zijn openbaar. Die van na 1915 niet en zijn in bewaring van de notarissen
zelf of bij de arrondissements-rechtbanken. |
||||||||||||
|
Novale landen |
Worden
zodanige landen door verstaan, die als 't ware voor het eerst ontgonnen of
nieuwelijk bebouwd worden, en die van 's mensen geheugen niet bebouwd zijn
geweest of vruchten voortgebracht hebben |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
O |
|
||||||||||||
|
O.S. |
Oude stijl
in de tijdrekenkunde, vóór de invoering van de Nieuwjaarsstijl. |
||||||||||||
|
Ohem (m) |
Oom. |
||||||||||||
|
Oir (m) |
Erfgenaam. |
||||||||||||
|
Okshoofd |
Vat. Parijse
mud 18 h.l. |
||||||||||||
|
Olografisch Testament |
Geheel door
de erflater zelf geschreven testament. |
||||||||||||
|
Ommestellingen (m) |
Omslaan,
gelijkmatig over belastingsschuldigen verdelen. |
||||||||||||
|
Onbemaagde |
Geen
bloedverwanten meer hebbende. Na de zevende graad zijn er geen magen meer. |
||||||||||||
|
Onbestorven weduwe |
Een vrouw
niet door de dood, maar door langdurige afwe-zigheid, van haar echtgenoot
gescheiden. |
||||||||||||
|
Onderschoven kind |
Heimelijk
een ander kind in de plaats van het echte stellen. |
||||||||||||
|
Onderschoven testament |
Een vals testament. |
||||||||||||
|
Ondertrouw |
De periode tussen de
huwelijksaangifte en het huwelijk. |
||||||||||||
|
Ongelden |
Lasten, belasting |
||||||||||||
|
Onreat |
Accijns |
||||||||||||
|
Oomskind |
Neef, nicht. |
||||||||||||
|
Oomssone (m) |
Neef. |
||||||||||||
|
Oomzegger |
Neef |
||||||||||||
|
Oomzeggerskind |
Achterneef |
||||||||||||
|
Oomzegster |
Nicht |
||||||||||||
|
Oor |
Ore, oir, hoir, hore,
erfgenaam. |
||||||||||||
|
Oorane |
Bet-over-grootvader |
||||||||||||
|
Oorkonde |
Openbare, uitgaande versie
van een akte |
||||||||||||
|
Oornaam |
Geslachtsnaam,
bijnaam.
|
||||||||||||
|
Opdragen |
In eigendom
overdragen
|
||||||||||||
|
Opgestaen |
Ontstaan bijv; geschil |
||||||||||||
|
Oppervader |
Grootvader. |
||||||||||||
|
Opsetene (m) |
Noemde men de inwoner die
zijn land op de parochie bewerkte; gevestigde, inwoner. Ook: Gesetene. |
||||||||||||
|
Orlinc (m) |
Erfgenamen, nakomelingen. |
||||||||||||
|
Oud-rechterlijke archieven |
Archieven van vóór 1811,
bijvoorbeeld schepenbanken |
||||||||||||
Oud-overanen |
Bet-oud-overgrootvaders. |
||||||||||||
Oud-overgrootvaders |
Overanen. |
||||||||||||
Oude tiend |
Tiend van grond die bij de
vestiging van de tiend reeds ontgonnen was. |
||||||||||||
Oudgrootvader |
Overgrootvader |
||||||||||||
Oudmoeder |
Grootmoeder
|
||||||||||||
Oudmoei |
Oudtante
|
||||||||||||
Oudoom |
Oom van iemands vader of moeder, broeder van
iemands grootouders.
|
||||||||||||
Oudtante |
Oude moeye, tante van iemands vader of moeder,
zuster van een der grootouders.
|
||||||||||||
Oudvader |
Grootvader.
|
||||||||||||
Oudvaders |
Voorvaderen, voorgeslacht.
|
||||||||||||
Oudzusterling |
Kind van een oudoom of oudtante.
|
||||||||||||
Oudoom |
Oom van vader of moeder
|
||||||||||||
Oudovergrootmoeder |
Moeder van de
overgrootmoeder of overgrootvader = bet-overgrootmoeder |
||||||||||||
Oudovergrootvader |
Vader van overgrootmoeder
of overgrootvader = betover-grootvader |
||||||||||||
Oudtante |
Tante van vader of moeder
|
||||||||||||
Overanen |
Oudovergrootvaders |
||||||||||||
Overbestemoeder |
Overgrootmoeder,
overbestemoer. |
||||||||||||
Overbestevader |
Overgrootvader,
overbestevaar. |
||||||||||||
Overdracht |
Overdracht
van onroerend goed – rechtshandeling waar-bij de eigendom van een onroerend
goed, bijvoorbeeld huis of stuk land, van de een overgaat op de ander,
bij-voorbeeld door verkoop. Deze overdracht wordt ook transport genoemd. |
||||||||||||
|
Overeendragen |
Overeenkomen |
||||||||||||
|
Overgangsrecht |
Devolutierecht, overdracht
van goederen van een familie die in de rechte lijn is uitgestorven.
Toewijzing van goe-deren uit het tweede huwelijk aan kinderen uit het eerste. |
||||||||||||
|
Overkindskind |
Achterkleinkind |
||||||||||||
|
Overoom |
Oudoom |
||||||||||||
|
Overouders |
Grootouders, voorouders, voorvaderen |
||||||||||||
|
Overoudgrootmoeder |
Bet-overgrootmoeder |
||||||||||||
Overoudgrootvader |
Bet-over-grootvader |
||||||||||||
|
Overoudmoeder |
Overgrootmoeder |
||||||||||||
|
Overoudmoei |
Tante van iemands grootvader of
grootmoeder. |
||||||||||||
|
Overoudoom |
Oom van een der grootouders. |
||||||||||||
|
Overoudtante |
Zuster van de overgrootvader of
overgrootmoeder. |
||||||||||||
|
Overoudvader |
Overgrootvader |
||||||||||||
|
Overschoonvader |
Aangehuwde grootvader |
||||||||||||
|
Overlijdensakte |
Bevat een
verklaring aangaande het overlijden van een persoon. Aangeduid met naam,
voornamen, beroep leef-tijd en adres. Tot 1935 werden ook de namen,
voornamen, beroepen, leeftijden en adressen van de beide aangevers vermeld.
Na 1935 wordt één aangever vermeld. |
||||||||||||
|
Overtoom |
Plek waar
een schuit over land getrokken werd, bijvoor-beeld over een dam. |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
P |
|
||||||||||||
|
Paap (m) |
In de
middeleeuwen de naam voor priester. |
||||||||||||
|
Pade (m) |
Peet,
doopvader. Ook: doopkint. |
||||||||||||
|
Payen |
Betalingstermijn
|
||||||||||||
|
Pagamentum |
Betaalmiddel |
||||||||||||
|
Paleografie |
De
wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van oude schriftvormen en
het ontcijferen van oude teksten. |
||||||||||||
|
Palimpsest |
Een
perkament handschrift, waarop veelal uit zuinigheid, over de onleesbaar
gemaakte eerste tekst een andere ge-schreven is. Langs chemische weg gelukt
het vaak de oor-spronkelijke, soms waardevolle tekst, weer leesbaar te maken. |
||||||||||||
|
Palmslach (m) |
Slag met de vlakke hand,
de handslag waarmede een koop wordt bekrachtigd. Ook: Coopslach. |
||||||||||||
|
Panchiser (m) |
Ontvanger van de
"panchys". |
||||||||||||
|
Panchys (m) |
Heerlijk recht op het
brouwen van bier. |
||||||||||||
|
Pancys |
Zie Panchys |
||||||||||||
|
Pand laten varen voor de
cijns |
Van een pand
afzien, hem verlaten omdat hij meer kost dan hij opbrengen kan |
||||||||||||
|
Parage (m) |
Verwantschap,
een parage tellen, de graad van verwant-schap met iemand uitrekenen. |
||||||||||||
|
Paranimf |
Bruidsleider, die de bruid op de bruilofsdag terzijde staat. |
||||||||||||
|
Pargament (m) |
Pergament, pergameen,
parcament, parkement, perca-ment, parcamint (m), perkament. |
||||||||||||
|
Pargamentmaker |
Parcamenter,
parcamentier, parcamentmaker (m). |
||||||||||||
|
Parmentier, permentier (m) |
Bewerker van de fijne stoffen, die voor de kleding werden gebruikt. |
||||||||||||
|
Parenteel |
Een generatiegewijs gerangschikt overzicht van alle na-komelingen, zowel in mannelijke als in vrouwelijke lijn, van een bepaald echtpaar. |
||||||||||||
|
Passeren (van een akte) |
Handeling waarbij een akte rechtskracht krijgt |
||||||||||||
|
Patroniemen |
Vadersnamen
zoals Jan Corneliszoon of Immeken Ghijsbechtsdochter. Patroniemen werden in
Zoetermeer nog gebruikt in 1514. Rond 1550 zag men in Holland (dus ook in
Zoetermeer) onder invloed van de toenemende handel geleidelijk meer
familienamen ontstaan. Dit ver-schijnsel trad in Brabant al eerder op. |
||||||||||||
|
Patronymicum |
Patroniem,
een van de voornaam van een van de vader afgeleide toenaam. Bijvoorbeeld:
Fokke de vadersnaam, door de zoon vermeld achter zijn naam als Fokkezoon,
Fokkezn of Fzn. |
||||||||||||
|
Paydach (m) |
Betaaldag |
||||||||||||
|
Pelse (m) |
Met bont
gevoerd kledingstuk; bepaaldelijk: een onder-kleed, ook gedragen over het
blote lichaam. |
||||||||||||
|
Peniteren (m) |
Gebruik
maken van het recht om af te zien van een (koop) overeenkomst, het rouwrecht;
rouwkoop. |
||||||||||||
|
Pensionaris (m) |
Rechtsgeleerd
ambtenaar van een stad, vastbezoldigde rechtsgeleerde raadsman. |
||||||||||||
|
Persenaer (m) |
Hij die een
"pensie" of (door een stad verkochte) lijfrente heeft. |
||||||||||||
|
Persisteren |
Op iets
blijven staan, volharden, staanhouden, bevestiging van een vorige verklaring
ten overstaan van het gerecht. |
||||||||||||
|
Persoonsbewijs |
Een identiteitsbewijs, in
Nederland tijdelijk uitgereikt vanaf 1941 tot 1945. Tevens bewijs van
opneming in het bevolkingsregister. Een ieder boven de 15 jaar moest in bezet
Nederland een speciaal persoonsbewijs (PB) bij zich dragen. |
||||||||||||
|
Persoonsblad |
Een blad (A4) of kaart
waarop gegevens met verwijzingen naar bronnen van een persoon. |
||||||||||||
Persoonslijst |
Een
geautomatiseerd bevolkingsregistratie. Na 1994 wor-den de persoonskaarten
niet meer bijgehouden door de geautomatiseerd bevolkingsregistratie, doch
bewaard als "achtergrond" bestand. Deze persoonskaarten zijn
ver-vangen door een geautomatiseerde persoonslijst. Het CBG ontvangt per 1
oktober 1994 uittreksels van de gemeenten van de overleden inwoners. |
||||||||||||
|
Persoonskaart |
Kaart met persoonlijke gegevens, bijgehouden voor ieder-een die na 1938 in Nederland is overleden, schriftelijk aan te vragen bij het Centraal Bureau voor Genealogie. |
||||||||||||
Persoonskaart |
In 1938/1939
wordt van iedere inwoner van Nederland een persoonskaart opgemaakt ten
behoeve van het bevolkings-register. Deze wordt bijgehouden ter
gemeentesecretarie van de plaats waar de betrokkene woont. De persoons-kaart
is niet openbaar. Bij verhuizing van betrokkene naar het buitenland wordt de
persoons-kaart naar het Bureau Vestigingsregister, Min van BiZa, gestuurd. Na
het overlijden van betrokkene wordt deze PK overge-bracht via het Centraal
Bureau voor de Statestiek naar het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG). In
1994 werd de persoonkaart vervangen door een geautomati-seerde persoonslijst. |
||||||||||||
|
Pille, pil (m) |
Geestelijke zoon of
dochter, petekind, doopkind. |
||||||||||||
|
Pillegave, pilgifte |
padengave (oost m); geschenk van iemand aan zijn "pille";
|
||||||||||||
|
Pillegelt (m) |
Doopgeschenk. |
||||||||||||
|
Pistole |
Gevangenisstraf waarbij
tegen betaling voorrechten worden verleend. |
||||||||||||
|
Poenter (m) |
Zie Pointer |
||||||||||||
|
Pointer (m) |
Zetter der belastingen.
Ook: Poenter. |
||||||||||||
|
Pond |
Betaalmiddel:
1 pond = 20 schellingen (ca 11e eeuw). Pond: een pond
Vlaams = zes gulden of Carolusgulden, een pond
Brabants = vier gulden of Carolusgulden, een pond
Artoois = een gulden of Carolusgulden, een pond
Tornoois = een gulden of Carolusgulden. |
||||||||||||
|
Pond (oude) |
Gewichtsmaat: 32 pond = 13 kg, 1 pond = 406 gram |
||||||||||||
|
Poortdinge (m), portdinc
(m), poortergedinge |
Terechtzitting op vaste
tijden, meest drie- of viermaal in het jaar. |
||||||||||||
|
Poorter (m) |
Stedeling;
burger eener stad, hij die hetzij door geboorte of door aanneming de rechten
van de stedelingen geniet, tegenover den "here" onderdaan. |
||||||||||||
|
Poorterbrief |
Een door de
overheid aan een poorter uitgereikte ver-klaring dat hij burger is. |
||||||||||||
|
Poortersneringe (m) |
Nering die
in de steden alleen aan burgers is vergund. |
||||||||||||
|
Postuum geboren |
Een kind
geboren na het overlijden van de vader. |
||||||||||||
|
Prejuditie |
Nadeel |
||||||||||||
|
Pretenderen |
Vorderen |
||||||||||||
|
Pretentie |
Aanspraak |
||||||||||||
|
Prijsboecken |
Waarin de
zetters de "prijzijen" (schattingen) van lan-derijen optekenden. |
||||||||||||
|
Prins |
Een prins is een koningszoon of een vorst van een prinsendom. Een gewest kon tot een prinsendom veheven worden door de keizer. |
||||||||||||
|
Prisen (m) |
Schatten, taxeren, waard achten, priseren.
|
||||||||||||
|
Priser (m) |
Schatter.
|
||||||||||||
|
Prisie (m) |
Schatting, taxatie, vooral om te weten of daarmede een schuld of belasting kan worden betaald. Ook: Prisinge |
||||||||||||
|
Prisinge (m) |
Zie Prisie |
||||||||||||
|
Proefmeester (m) |
Ambtenaar door de gilden aangesteld tot het examineren van hen, die als lid willen worden opgenomen. |
||||||||||||
|
Provoost (m) |
Rechterlijk ambtenaar, zoals ambtman en baljuw. |
||||||||||||
|
Psaligraphie |
De kunst om figuren uit papier te knippen. |
||||||||||||
|
Purge (m) |
Zuivering "hem ter purge stellen, zijne zaak aan een rechterlijke uitspraak onderwerpen”. |
||||||||||||
|
Principael |
Origineel |
||||||||||||
|
Principael sculder |
Hoofdelijk
schuldenaar |
||||||||||||
|
Probandus |
Zie Kwartierdrager |
||||||||||||
|
Provinciale hof |
Hogere
rechtbank voor misdrijven |
||||||||||||
|
Provoosthuis |
Gevangenis
voor militairen |
||||||||||||
|
Pupil |
Minderjarige
die onder voogdij staat. |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Q |
|
||||||||||||
|
Quartieren (m) |
In de
geslachtkunde, kwartier van een stamtabel of kwar-tierstaat, ter aanwijzing
van de afstamming van vaders- en moederszijde, vooral ten bewijze dat iemands
kwartieren adellijk zijn.
|
||||||||||||
|
Quene (m) |
Een vrouw of leeftijd, een
vrouw met ervaring en levens-wijsheid, oud wijf. |
||||||||||||
|
Quistgoederen |
Goederen van stadskinderen
beheerd door een van over-heidswege aangestelde persoon. |
||||||||||||
|
Quote (m) |
Aandeel in een hoofdelijken omslag;
|
||||||||||||
|
Quytbaer (m) |
Afkoopbaar, aflosbaar; |
||||||||||||
|
Quite weren |
Vrijwaren |
||||||||||||
|
Quiteren |
Kwijtschelden |
||||||||||||
|
Quytrente (m) |
Afkwijtbare rente. |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
R |
|
||||||||||||
|
Raad voor de
kinder-bescherming |
Overheidsinstelling
die betrokken is bij voogdij van kinderen van ouders die uit de ouderlijke
macht zijn ontzet of ontheven. Bestaat sinds 1956. Opvolger van de voogdijraad. |
||||||||||||
|
Raadkamer |
De plaats
waar de leden van een rechtbank de beslissing die zij gaan nemen,
bijvoorbeeld een beschikking, voor-bereiden. De zittingen in een raadkamer
zijn niet open-baar. |
||||||||||||
|
Rechtsweerinne (m) |
Rechtzwerin,
volle nicht, rechtsweernede (Mnl). |
||||||||||||
|
Rechtzweer |
Volle neef
of nicht. |
||||||||||||
|
Recidivist |
Iemand die
voor de tweede keer tot een straf wordt ver-oordeelt. |
||||||||||||
|
Recipisse |
Kwitantie,
ontvangstbewijs |
||||||||||||
|
Reengenoten (m) |
Regenoten,
bezitters van aangrenzen-de kavels, geburen. |
||||||||||||
|
Reetrecker (m) |
Landmeter,
erfscheider, rooimeester. |
||||||||||||
|
Reeuroof (m), reeroof (m) |
Lijkroof.
Ook: Lijkberoving. |
||||||||||||
|
Reeuwech (m) |
Weg
waarlangs lijken naar het kerkhof werden gebracht, lijkweg. |
||||||||||||
|
Reeuwen (m) |
Een lijk
afleggen, het reinigen en voor de begrafenis in gereedheid brengen. |
||||||||||||
|
Reeuwer (m), reeuwige vr. |
Lijkenaflegger.
Ook: oppasser van besmettelijke zieken en ontsmetter hunner lijken. |
||||||||||||
|
Register |
Lijst van
stukken in chronologische volgorde. Als de stuk-ken zelf in dezelfde volgorde
zijn opgeborgen vormen zij een serie stukken. |
||||||||||||
|
Register van
Naamsaan-neming |
Bij
keizerlijk decreet (Napoleon) werd op 18.08.1811 een ieder in Nederland die
nog geen geslachtsnaam had be-volen binnen een jaar een geslachtsnaam aan te
nemen. Velen namen dit niet ernstig met als gevolg geslachts-namen die hun
nageslacht in grote verlegenheid hebben gebracht. Anderen gaven er geen
gehoor aan. Op 17.05.1813 werd bij decreet de termijn voor geslachtaan-neming
verlengd tot 01.01.1814. Bij Koninklijk Besluit (Koning Willem I) werd op
05.11.1825 het bevel tot aan-nemen van een geslachtsnaam onder
strafbedreiging herhaald. Hieruit volgden vele Registers van Naamsaan-neming.
Een akte van naamsaanneming uit het Register, laat de aangever van de naam
zien en de familienaam die gewenst wordt aan te nemen. Ook ziet men de namen
van degenen voor wie opgetreden wordt zoals broers, zusters, kinderen,
kleinkinderen met hun leeftijd. Als laatste wordt deze akte 'indien zulks
geleerd hebbende' ondertekend.
Deze registers zijn te raadplegen in de rijksarchieven, enkele streek- en
gemeentearchieven. Het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG) bezit een aantal
van deze registers op microfiche. |
||||||||||||
Registre Civique |
'Liste
Civique', bevolkingslijsten uit de jaren 1796 en 1811. Deze lijsten bevatten
per plaats de gehele volwassen mannelijke bevolking met opgave van beroep en
geboorte-datum. Ze zijn te vinden in de gemeentearchieven. |
||||||||||||
|
Rekest |
Schriftelijk verzoek aan
een overheidsorgaan, bijvoorbeeld de rechter, om een maatregel te nemen. Die
maatregel kan een beschikking zijn. |
||||||||||||
|
Remitteren |
Kwijtschelden |
||||||||||||
|
Rente |
Jaarlijkse
rente, gewoonlijk aflosbaar tegen den penning 16 of 20. Om de kapitale
penningen te vinden moet men de rente vermenigvuldigen respectievelijk met 16
of met 20, bv. 50 gulden sjaars is: 50 x 16 = 800 gulden kapitaal, 50 x 20 =
1000 gulden kapitaal. |
||||||||||||
|
Repertoire |
Register of
chronologische lijst van alle akten die een notaris heeft opgemaakt. Het
repertoire vormt vaak een toegang op de akten; met behulp van de nummers in
het repertoire kan men in de serie akten zoeken. |
||||||||||||
|
Repertorium |
Zie Repertoire |
||||||||||||
|
Requireren |
Verzoeken |
||||||||||||
|
Remplaçant |
Plaatsvervanger |
||||||||||||
|
Retroacta |
Het tot een dossier, collectie gebrachte originele
beschei-den of afschriften die dateren van voor de aanvang van de zaak. |
||||||||||||
|
Richten |
In bezit stellen |
||||||||||||
|
Ridder |
Is een te paard strijdend krijgsman, hetzij van adel, hetzij afkomstig uit de stand der onvrijen die belangrijke functies hadden bekleed, de zogenaamde ministerialen. Zij werden van jongs af aan geoefend in het paardrijden en het vechten, eenmaal meederjarig geworden werden zij ridder geslagen. Zij genoten speciale voorrechten. Indien zij berecht moesten worden, geschiedde dat door een rechtbank, samengesteld uit huns gelijken. Zij waren, als vergoeding voor hun militaire diensten die zij voor hun vorst verrichtten, vrijgesteld van het betalen van belastingen. De bijzondere ethiek van het ridderschap ontstond onder invloed van de kruistochten en hield onder meer in: de wereld zuiveren van onrecht en zorgen voor rust en vrede in kerk en koningkrijk. In de cultuur van het ridderschap nam de vrouwenverering een belangrijke plaats in, verder behoorde tot hun plichten onder meer bescherming van weduwen, wezen en armen, trouw aan de leenheer, een christelijke levenswandel. Sinds de twaalfde eeuw vormen zij een gesloten stand, de kern van een leger. Ridder is de laagst adelijke, erfelijke titel onder meer in Duitsland, Oostenrijk, Engeland en Nederland. De engelse titel 'knight' is persoonlijk en niet erfelijk. |
||||||||||||
|
Ridderorde |
1. |
||||||||||||
|
Ridderschap |
Publiekrechtelijk stand der edelen in de standenstaat. In de Republiek der Verenigde Nederlanden vormde de ridderschap een der leden van de Statenvergaderingen. Het ridderschap werd in 1795, tijdens de Bataafse Republiek, opgeheven en in 1814 hersteld met het recht een deel van de Provinciale Staten te kiezen. Bij de grondwet van 1848 werd het ridderschap definitief opgeheven. |
||||||||||||
|
Riemtalen |
Oorspronkelijk
het aantal riemen van een kog (scheeps-type) dat een ambacht moest leveren
wanneer de heer het ter heervaart riep. De ambachten hadden de verplichting
om voor de heer te vechten indien hij dat eiste. Rijke am-bachten moesten een
of meerdere koggen bij-dragen. Armere ambachten een deel van een kog,
uitgedrukt in het aantal riemen van het schip. Later werd de naam riemtalen
gebruikt voor de belasting die de am-bachten aan de heer moesten betalen
zodat hij huurlingen kon huren. Dit kwam in de plaats van de heervaart. Deze
ver-andering trad op rond 1400. |
||||||||||||
|
Richter |
Schout |
||||||||||||
|
Rijnlandse roede |
Een roede is
een meetstok die gebruikt werd bij het opmeten van land. Een Rijnlandse roede
is 3,77 m. |
||||||||||||
Ruwaard |
Waarnemend graaf (bijv. als de graaf krankzinnig was geworden). Een ruwaard was een vertegenwoordiger van de landsheer,
hij was degene die in naam van de landsheer een land of een gewest bestuurde |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
S |
|
||||||||||||
|
Saet (m) |
Zaad, nakroost, ook van
één nakomeling. |
||||||||||||
|
Saet (m) |
Woning,
verblijfplaats, kasteel, bezitting. |
||||||||||||
|
Sale (m) |
Herenhuis,
huis van de heer, waarschijnlijk ook vergader-zaal van de schepenen, woning
der aanzienlijken. |
||||||||||||
|
Samenlovenisse
(m) |
Trouwbelofte,
verloving. |
||||||||||||
|
Scaren |
Oogst |
||||||||||||
|
Scheiding
van tafel en bed |
Het huwelijk
is niet ontbonden, maar de echtgenoten behoeven niet meer samen te wonen. |
||||||||||||
|
Scheiding
van goederen |
Het huwelijk
is niet ontbonden, het samenwonen blijft be-staan; enkel de
vermogensrechterlijke betrekkingen tus-sen de echtgenoten of
huwelijksgemeenschap zijn ontbon-den |
||||||||||||
|
Schelling |
Betaalmiddel:
1 schelling = 12 denier (ca 11e eeuw). |
||||||||||||
Schepen |
Ontstaan uit
het Middeleeuwse Nederlandse woord scep-pen. Een lid (ambtenaar) van een
college oordeelvoorstel-lers, oordeelvinders wat tot hun taak diende op
rechtzit-tingen van het volksgerecht (ding). Dit oordeelvoorstel werd
bevestigd door verplicht de aanwezige volksgenoten. Later verviel de
verplichte bijwoning (dingplicht) door de volksgenoten bij een rechtzitting
en stelde het college van schepenen dit vast. In Nederland van de
middeleeuwen tot circa 1795. De
schepenen waren sinds de Karolingische tijd (rond 500) leden van de rechtbank
die het vonnis bepalen, de zo genaamde oordeelvinders. In de steden hadden ze
naast de functie in de 'schepenbank' ook een aandeel in het stadsbestuur.
|
||||||||||||
Schepenbank |
Plaatselijke rechtbank vóór 1811. De leden heten schepen (meervoud: schepenen). |
||||||||||||
Schepenbank |
Het college van schepenen.
In de 12e eeuw ontstonden schepenbanken voor vorsten, abdijen, heren en
gemeenten. Zij konden in bezit zijn van de rechtspraak en vonnisten in
criminele- en civiele zaken, die niet voorbehouden waren aan de vorst. Ook
konden zij oor-delen in de vrijwillige rechtspraak, waar allerhande
over-eenkomsten en verbintenissen voor het werden gesloten en geregistreerd. |
||||||||||||
|
Schepenrecht |
Zie Aasdomsrecht |
||||||||||||
|
Scherpe examinatie (m) |
Verhoor op de pijnbank. |
||||||||||||
|
Schilden |
Zie schildtalen |
||||||||||||
|
Schildtalen |
Belastingsoort
die de riemtalen verving. De schildtalen verminderden de betekenis van de
riemtalen en daarmee de belastingvrijstelling van hen die vrij waren van de
riemtalen. Schilden waren munten met een waarde van 20 stuivers. Ze waren de
voorloper van de gulden. Een andere benaming was klinkaart. De graven van
Holland sloegen ze sinds 1356. De oorsprong ligt in Frankrijk waar sinds 1328
gouden munten (écu's) werden gebruikt met daarop een beeltenis van de koning
met een schild in zijn hand. Deze werden ook in Holland gebruikt tot men ze
zelf ging slaan. |
||||||||||||
Schoofcijns |
Recht der
heren om een zekere hoeveelheid schoven van de hun cijnsbare akkers te
heffen. |
||||||||||||
|
Schoofland |
Tiendland
waarvan de zesde schoof nog boven de tiende wordt betaald (Nederland). |
||||||||||||
|
Schotkerver |
Belastinginner.
De betaling der belasting (schot) werd op een kerfstok d.m.v. een inkeping
aangegeven. |
||||||||||||
|
Schout |
Hoofd van
een ambacht (bestuursgebied vergelijkbaar met een gemeente). De schout van
Zegwaart, Jan Ghijsbrechtszoon van Duivenvoorde betaalde in 1579 jaarlijks
pacht voor het schoutambt aan de ambachtsheer: 120 Karolusgulden, een half
vat boter en 100 ton turf. Inkomsten kreeg de schout o.a. uit opgelegde
boetes. "Kleine boeten", opgelegd door hemzelf, waren geheel voor
hem. "Grote boeten, opgelegd door de baljuw van Rijnland nadat de schout
bij hem van een vergrijp aangifte had gedaan waren voor eenderde voor hem. |
||||||||||||
|
Schout |
Een gerechtelijk ambtenaar in dienst
van een vorst, een heer of abdij van in de middeleeuwen tot circa 1795.
|
||||||||||||
|
Schout-bij-nacht |
Is bij de Nederlandse marine de laagste vlagofficiersrang, gelijk aan generaal-majoor bij het leger. Zijn oorspronke-lijke taak was als opperbevelhebber 's nachts in de achter-hoede toezich te houden op de vloot, opdat de schepen bij-een bleven. |
||||||||||||
|
Schoutambacht |
Zie "ambacht" |
||||||||||||
Schoutencnape (m) |
Zie Schoutetendiener |
||||||||||||
|
Schouteteboete (m) |
Boete aan de schout te
voldoen. |
||||||||||||
|
Schoutetebrief (m) |
Akte van een voor de
schout geschiede rechtshandeling. |
||||||||||||
|
Schoutetecnecht (m) |
Zie Schoutetendiener |
||||||||||||
|
Schoutetendiener (m) |
Gerechtsdienaar. Ook:
Schoutencnape, Schoutetecnecht. |
||||||||||||
|
Schoutetinne (m) |
Schoutin,
vrouw van een schout. Ook: Schoutinne. |
||||||||||||
|
Schoutinne (m) |
Zie Schoutetinne |
||||||||||||
|
Secluderen |
Afzonderen, uitsluiten |
||||||||||||
|
Secreet |
Drekvat of poepdoos |
||||||||||||
|
Sententie |
Vonnis, gerechtelijke
uitspraak. |
||||||||||||
|
Servituut |
Erfdienstbaarheid, last
waarmee een erf is bezwaard ten dienste van een ander erf; servituut op een
doorgang. |
||||||||||||
|
Sibbe (m), zibbe, zebbe
(m) |
de familie,
verwanten of familieleden, als verzamelwoord : "sibbe
ende namaeghe", geslacht, afkomst, "van
zynre sibbe ben ic comen", familiebetrekking, "eene
sibbe tellen" = een stamboom opmaken, de graad van verwantschap
berekenen. |
||||||||||||
|
Sibbecheit (m), sibbeheit,
sibbinge (m) |
Bloedverwantschap,
verwantschap, overeenkomst in aard, verschijnselen, enz... |
||||||||||||
|
Sibbedag |
(Jaarlijkse)
bijeenkomst van familieleden en naamge-noten. |
||||||||||||
|
Sibbedeel (m) |
Verwantschapsgraad |
||||||||||||
|
Sibbekunde |
Familiekunde,
genealogie. |
||||||||||||
|
Sibbemaech (m) |
Bloedverwant.
Ook: Sibbevrient. |
||||||||||||
|
Sibber (m) |
Nader
familie. |
||||||||||||
|
Sibbesten (m) |
De naaste
familieleden. |
||||||||||||
|
Sibbetafel |
Parenteel,
waar ook de afstammelingen in de vrouwelijke lijn zijn opgenomen en die dus
alle nakomelingen van de stamvader omvat. |
||||||||||||
|
Sibbetale (m), sibtale
(m), sibtael (m) |
Graad van
bloedverwantschap. Ook: Zibbetale. |
||||||||||||
|
Sibbevrient (m) |
Zie Sibbemaech |
||||||||||||
|
Sideval (m), zideval (m) |
Zijlinie,
het komen van een erfgoed aan een zijlinie. |
||||||||||||
|
Silhouettenkunst |
Genaamd naar de naam van
de uitvinder; vele families bewaren nog zulke portretten, zelfs van zeer recente
datum, deze laatste zijn evenwel te beschouwen als knip-kunst met de schaar,
het duitse Schereschnitt. Schaduw-omtrek, schaduwbeeld, silhouet, silhouette. |
||||||||||||
|
Sincklyck |
Een lijk dat bijgezet moet
worden, bv. in de kerk. |
||||||||||||
|
Signalement |
Persoonsbeschrijving |
||||||||||||
|
Sinxen |
Pinsteren |
||||||||||||
|
Slachtmaand |
november |
||||||||||||
|
Slagturven |
Ook wel
veenbaggeren. Eerst stak men turf tot men op het grondwaterpeil kwam. Wat over
bleef was moerassig land, maar geen plas. Later kwam men door bemaling nog
wat dieper, maar nog niet onder het verlaagde grondwaterpeil. Slagturven was
een nieuwere techniek waarbij men de restlaag turf onder het grondwaterpeil
kon verwijderen tot op de kleilaag. Daarbij ontstonden veenplassen. |
||||||||||||
|
Slapende tiend |
Wanneer een
stuk tiendplichtig bouwland niet met tien-plichtig gewas werd bebouwd of
braak lag, dan kon het tiendrecht niet worden uitgeoefend, het sliep dan. |
||||||||||||
|
Smalle tiend |
Hovernierstiend. Ook:
Kleine tiend. |
||||||||||||
|
Speelkinderen |
Kinderen van een ongehuwd
paar. |
||||||||||||
|
Spillemaag |
Verwant in vrouwelijke
linie. Spille en spinrok zijn sym-bolen van de vrouw. |
||||||||||||
|
Splete (m) |
Deel van een leen d.i. uit
een leen gespleten. |
||||||||||||
|
Sprokkelmaand |
Februari |
||||||||||||
|
Stadskind |
Persoon aan wie het beheer van zijn goederen gerechtelijk ontnomen is. |
||||||||||||
|
Statsvriheit (m) |
Stadsvrijheid: het grondgebied, van een stad buiten de poorten, waar de stadsvoorrechten en vrijheden gelden. |
||||||||||||
Stadhouder |
Toen de koning van Spanje heerser was als graaf van Holland, hertog van Gelre (Gelderland) etc. benoemde hij een stadhouder als zaakwaarnemer en dienaar om zijn zaken te behartigen. Ten tijde van de republiek, na de Tachtigjarige Oorlog benoemden de Staten van Holland en de Staten van Gelre etc. stadhouders. Een stadhouder is oorspronkelijk een plaatsvervanger van
de vorst in een bepaald gewest met de bevoegdheden van die vorst. |
||||||||||||
|
Stadhouderloze tijdperken |
Dat
waren perioden in de geschiedenis van de Republiek der Verenigde Nederlanden waarin
de meeste gewesten geen stadhouder aanstelden. Er waren twee periodes, van
1650-1672 en van 1702-1747. |
||||||||||||
|
Stamboom |
Een
voorstelling van genealogische gegevens in de vorm van een boom. Ontstaan uit
de verwantschapsboom van het Romeinse recht die de voorvaderen in de kruin en
de nakomelingen in de wortels afbeelde. Sinds de 12e eeuw komt hij in
omgekeerde volgorde voor zodat de nakome-lingen de takken en twijgen vormen. |
||||||||||||
|
Stamhouder |
De zoon die het geslacht
voor uitsterven (kan) behoeden. |
||||||||||||
|
Stamhuis |
Adelijk huis waaruit een
vorstengeslacht stamt. |
||||||||||||
|
Stammoeder |
Voormoeder
waarvan verschillende geslachten afstam-men. Bijvoorbeeld Juliana van Stolberg,
waar bijna alle Europese vorstenhuizen aan verwant zijn. |
||||||||||||
|
Stamouders |
Oudst bekende voorouders
van een geslacht. |
||||||||||||
|
Stamreeks |
Een zeer
beperkt uittreksel van een genealogie of kwar-tierstaat. Een in generaties gerangschikte
opgave van iemands wettige voorouders in rechte mannelijke lijn. De
num-mering begint bij de stamvader. |
||||||||||||
|
Stamvader |
Oudst bekende mannelijke
voorvader in rechte lijn. Meestal gaf hij zijn naam aan het geslacht |
||||||||||||
|
St. Catharina-avond |
24 november |
||||||||||||
Stockgoet (m) |
Familiegoed, stamgoed. |
||||||||||||
Styfvader |
Stiefvader, man met wie
iemands moeder hertrouwd is. |
||||||||||||
Successiememories |
Registers van
aangifte voor de successiebelasting, en bijge-houden door de Inspecteurs der
Registratie en Successie. De aangifte werd gedaan middels een memorie, waarin
vermeld: de overledene, waar en wanneer overleden, welke onroerende goederen
nagelaten, de erfgenamen, waar een testament gemaakt. Te vinden in het
Rijksar-chief van de jaren 1818-1900 |
||||||||||||
|
Successierecht |
Belasting
die door de erfgenamen over een nalatenschap
moet worden betaald. |
||||||||||||
|
Suplicie |
Aanvulling |
||||||||||||
|
Surgyn (m) |
Zie Chirurgyn |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
T |
|
||||||||||||
|
Tafels V-bis |
Lijsten, per
belastingkantoor, waarin per jaar de overle-denen alfabetisch zijn opgesomd,
met verwijzing naar de memorie. |
||||||||||||
|
Tauxatie |
Aanslag (belasting)
taxatie. |
||||||||||||
|
Testament |
Akte waarin
iemand bepaald wat er na zijn dood moet gebeuren. Meestal is de minuut aanwezig in het archief van de
notaris. |
||||||||||||
Testamentregistratie |
Een centrale
testamentregistratie ingesteld in 1918. Het is een kaartsysteem met namen van
personen die na 1890 een testament hebben laten opmaken. Op volgorde van jaar
en daarin alfabetisch op naam. Het wordt beheerd door een afdeling van het
Min van Justitie. Een deel van dit kaartsysteem met de gegevens van personen
geboren tussen 1793 en 1954 en overleden voor 1973 bevind zich in het
rijksarchief. |
||||||||||||
|
Tiend |
Gedeelte van
de opbrengst van de oogst dat aan de kerk of de heer moest afgedragen worden,
het bedroeg gewoonlijk een tiende. |
||||||||||||
|
Tiendgebiet |
Gebied
waarvan de tiend aan een zelfde tiendheer moet betaald worden. |
||||||||||||
|
Tiendrecht |
Het recht
tiende te heffen. |
||||||||||||
|
Tienjarige tafels |
Lijsten waarin
per tien jaar in alfabetische volgorde de namen zijn vermeld van iedereen die
in de periode in die gemeente is geboren, gehuwd en overleden. |
||||||||||||
|
Tocht |
Vruchtgebruik |
||||||||||||
|
Toegang |
Lijst waarin de memories van successie en de tafels V-bis systematisch zijn opgesomd. |
||||||||||||
Toenaam |
Hieronder wordt verstaan
een nadere aanduiding van een persoon bij diens voornaam. |
||||||||||||
|
Toeziend voogd |
Een voogd die wordt aangesteld als een van de twee (wettelijke) ouders ontbreekt. |
||||||||||||
|
Transport |
Zie Overdracht |
||||||||||||
|
Transportakte |
Akte van
overdracht van eigendom. |
||||||||||||
Trouwregister |
Register
waarin geschreven de namen van de genen die men trouwt. De oudste
trouwregisters dateren uit de zes-tiende eeuw. Deze registers zijn van de
Rooms-Katholieke kerk waarin de huwelijken werden gesloten volgens de door
het conclie van Trente vastgestelde regels. Vanaf 1574 gingen de
Gerefomeerden ook over tot het gebruik van een trouw- of huwelijksregister |
||||||||||||
|
Turbe (m) |
Onderzoek naar
het gewoonterecht, waarbij het getuigenis van een aantal personen te gelijk
werd verhoord, later werd het aantal getuigen beperkt tot een paar terzake
bevoegde personen. |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
U |
|
||||||||||||
|
Utebliven (m) |
Niet
mededelen aan een erfenis. |
||||||||||||
|
Uterinebroeder, -zuster |
Halfbroeder,
halfzuster, kinderen van dezelfde moeder maar niet van dezelfde vader. |
||||||||||||
|
Uutbodinge (m) |
Oproep, openlijke
bekendmaking dat men tot gerechte-lijke verkoop zal overgaan. |
||||||||||||
|
Uutgeborenen (m) |
Buiten (een
stad, een land) geboren. |
||||||||||||
|
Uutgoedinge (m) |
Als
uitkering der erfenis aan het kind bij het leven der ouders. |
||||||||||||
|
Uutvronen (m) |
De vrije
eigendom door vonnis ontzeggen. |
||||||||||||
|
Uytboedelen (m) |
Uitkering
doen uit de boedel aan een kind, b.v. aan een dochter die gaat trouwen. |
||||||||||||
|
Uytcoop (m) |
Uitkoop, het
behouden van een boedel, door deelgenoten uit te kopen, bv. een vader koopt
van zijn kinderen het aan hen toekomende deel uit de nalatenschap van de
over-leden moeder. |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
V |
|
||||||||||||
|
Vast ende stade |
Blijvend, definitief
rechtsgeldig, onaanvechtbaar. |
||||||||||||
|
Vazal |
Vazal ook wel
Leenheer genoemd. Iemand die zich in de Middeleeuwen onder de bescherming van
een machtig heer (meestal Koning of Keizer) gesteld had aan wie hij als
tegenprestatie diensten bewees. |
||||||||||||
|
Vendel |
1 vendel is 175 man
troepen (in gebruik rond 1573). |
||||||||||||
|
Verhef van een leen |
Een recht dat de leenman
betaalde aan zijn leenheer bij sommige mutaties, bv. bij overdracht van
eigendom; relief |
||||||||||||
|
Verlijden |
Het laten passeren van een
akte door partijen |
||||||||||||
|
Vermene |
Van oordeel zijn. |
||||||||||||
|
Verpachten |
In huur geven |
||||||||||||
|
Verweerder |
Gedaagde (in proces) |
||||||||||||
|
Verwerdersse (m) |
Zie Verweerster |
||||||||||||
|
Verweerster (m) |
Beklaagde of gedaagde
(vrouw) in rechte. |
||||||||||||
|
Verwerver (m) |
Verweerder; gedaagde; hij,
tegenover wie een rechterlijke eis wordt ingesteld. |
||||||||||||
|
Vierschaar |
Rechtszitting. Vierschaar komt
van schaar = bank. Vierschaar refereert aan de vier banken van de vier
rechters |
||||||||||||
|
Villegave, villegift (m) |
Zie Pillegave |
||||||||||||
|
Vinder van de lenen |
Lid van een leenhof belast
met het opsporen van overtre-dingen van het leenrecht. |
||||||||||||
|
Visitaties |
Lijkschouwingen |
||||||||||||
|
VOC |
De Verenigde
Oostindische Compagnie werd opgericht in 1602 met het doel schepen naar Azië te
sturen om peper en specerijen te kopen. Er werden zes kamers (vestigin-gen)
opgericht in Amsterdam, Zeeland, Rotterdam, Delft, Hoorn en Enkhuizen met
ieder een eigen college van directeuren, die bewindhebbers werden genoemd.
Het hoofdbestuur bestond uit directieleden van de zes kamers, 'de Heren
Zeventien'. De VOC groeide uit tot een multi-national met vestigingen in een
tiental Aziatische landen. Halverwege de 18de eeuw had de compagnie 25.000
man in dienst waarvan ca. 3000 in Nederland. De compagnie bouwde haar eigen
schepen, zo'n 1500 in totaal, die samen goed waren voor ca. 5000 afvaarten
naar Azië. Daar werd een netwerk van handelsnederzettingen (factorijen)
opge-richt, van de Perzische Golf tot de Chinese Zee. De VOC ging ten onder
aan slecht bestuur, corruptie en schulden en werd officieel opgeheven op 31
december 1799. |
||||||||||||
|
Voercommer |
Verplichting |
||||||||||||
|
Voet |
Lengtemaat. 1 voet is 31,3
cm. |
||||||||||||
|
Voet, Amsterdamse - |
Lengtemaat. 0,283 meter |
||||||||||||
|
Volcheet (m) |
Volgeed, de eed der
eedhelpers of eedvolgers, waardoor de waarheid van de eed van de hoofdpersoon
bevestigd wordt. |
||||||||||||
|
Volge eet (m) |
Zie Volcheet |
||||||||||||
|
Volkstellingregisters |
Bevatten bevolkingsgegevens
van een gemeente. De volk-stelling uit de Franse tijd van 1795-1796 bevat
alleen cijfers. De volkstelling van 1807-1808 bevat onder meer de naam van
het gezinshoofd, zijn beroep, huispersoneel, of hij gehuwd was, het aantal
inwonende kinderen, het bezit aan onroerend goed. Verder waren er
volkstellingen in 1829, 1839, 1849. De volkstellingsregisters zijn te vinden
bij de gemeente. |
||||||||||||
|
Voluntaire jurisdictie |
Vrijwillige rechtspraak.
Voor 1811 veelal afgedaan door het gerecht. Na 1811 door notarissen.
Vrijwillige recht-spraak omvat onder meer, overdrachten (transporten) van
onroerend goed, hypotheken, andere schuldbeken-tenissen, huwelijkse
voorwaarden, testamenten, boedel-inventarissen, boedelscheidingen. |
||||||||||||
|
Voogd |
Iemand die is aangesteld
om de ouderlijke macht uit te oefenen. Meestal is daarvoor een beschikking
van een kantonrechter nodig. |
||||||||||||
|
Voogdijbeschikking |
Beslissing van een rechter
waarin maatregelen worden genomen over een voogdij. |
||||||||||||
|
Voogdijregister |
Een lijst waarin
bijgehouden wordt welke beschikkingen zijn genomen over voogdij. |
||||||||||||
|
Voogdijraad |
Zie Raad voor de Kinderbescherming |
||||||||||||
|
Voogdijregisterkaarten |
Een voogdijregister in de
vorm van een losse kaart per kind. |
||||||||||||
|
Voogdijzaken |
Alle stukken in het
archief van een rechtbank die over voogdij gaan. |
||||||||||||
|
Vorebedde (m) |
Kinderen uit "den
voorbedde" zijn kinderen verwerkt tijdens een vorig huwelijk. |
||||||||||||
|
Voreman (m) |
= voorman
(Mnl) : vroegere of vorige
echtgenoot. |
||||||||||||
|
Vrijgoed |
Is volle uitsluitende
eigendom van bezitter, zonder enige leenplicht. |
||||||||||||
|
Vrijheer |
Baron, baronet (zoon van
een baron). |
||||||||||||
|
Vrijvrouw |
Barones, dochter van een
baron. |
||||||||||||
|
Voster |
Deurwaarder |
||||||||||||
|
Vrederechter |
Voorganger van de
kantonrechter in de periode 1811-1838. |
||||||||||||
|
Vrijheidsstraf |
Gevangenisstraf |
||||||||||||
|
Vronen (m) |
In beslag nemen, iemand in
arrest nemen, executeren, uitwinnen, de vrije eigendom bij rechterlijke
uitspraak toewijzen. |
||||||||||||
|
Vroonde (m) |
Zie Vroonte |
||||||||||||
|
Vroonleen of Vroongoed. |
|
||||||||||||
|
Vroonte (m) |
Herenland, domeingoed,
onverdeelde gemeentegrond. Ook: Vruente, Vroonde. |
||||||||||||
|
Vrouwemenschen (m) |
Vrouwmens, vrouwspersoon,
mens, meisje. |
||||||||||||
|
Vrouweconne (m) |
Zie Vrouwecunne |
||||||||||||
|
Vrouwencunne (m) |
Vrouwelijk geslacht,
verwanten der gehuwde vrouw. Ook: Vrouwenconne. |
||||||||||||
|
Vruchtgebruik. |
Lijftocht,
in het oude erfrecht is voorzien dat de weduw-naar of de weduwe het
vruchtgebruik houdt van de een-maal gemeenzaam bezeten huwelijksgoederen. |
||||||||||||
|
Vruente (m) |
Zie Vroonte |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
W |
|
||||||||||||
|
Waerder (m) |
Bewaarder,
bewaker, wachter; steenwaarder van gevan-genis. |
||||||||||||
|
Waerheitslieden (m) |
De mannen aan
wie het instellen van een enquête of ge-rechtelijk. |
||||||||||||
|
Waerscap |
Vrijwaring |
||||||||||||
|
Wandelcoop (m) |
Een heerlijk
recht, te betalen wanneer een eigendom bij contract op een ander overgaat. |
||||||||||||
|
Wedeme (m) |
Is een aan de
kerk geschonken goed of heem, een donatie aan klooster of kerk. Zou de oude
naam van pastorie zijn. hetgeen de bruidegom bij het huwelijk aan de bruid in
eigendom geeft, bruidschat. Ook: Wehme, Weem, Wedem, Wedom, Weeme. |
||||||||||||
|
Wedemebrief (m) |
Brief of
akte waarin aan een vrouw een bruidschat wordt toegekend. |
||||||||||||
|
Wederstoc (m) |
De tweede
van een paar overeenkomstige kerfstokken. |
||||||||||||
|
Weduwestoel (m) |
Bezit waarop
de inkomsten van een weduwe stoelen, ge-grondvest zijn. |
||||||||||||
|
Weerbare mannen |
Mannen die
geschikt waren om krijgsdienst te doen. |
||||||||||||
|
Weergelt (m) |
Geld als zoengeld betaald
tot boete voor een manslag aan de magen van een verslagene. |
||||||||||||
|
Weescamere (m) |
Weesmeesterskamer
waar ale stukken en bescheiden be-treffende de weeskinderen bewaard worden,
en waar de weesmeesters vergaderen, zij vormen een college van ge-delegeerden
of gemachtigde rechters, die in de plaats van de gewone rechter, kennis nemen
van de zaken betreffen-de de wezen. |
||||||||||||
|
Weeshuis |
Instituut waar kinderen
worden ondergebracht van wie de ouders zijn overleden. |
||||||||||||
|
Weeskamer |
Overheidsinstelling voor
1811 (soms 1852) die de vermo-gens van minderjarige wezen beheerde, meestal in
een stad. |
||||||||||||
|
Weldogend maken |
Deugdelijk houden |
||||||||||||
|
Werdinge (m) |
= waerdinge
(Mnl) : waardering, waarde
schatten. |
||||||||||||
|
Werpenisse (m) |
Het wegwerpen van een halm ten teken dat men afstand doet van iets, bv. bij verkoop van gronden. |
||||||||||||
|
Werpinge (m) |
Zie Werpenisse |
||||||||||||
|
WIC |
West
Indische Compagnie. Een in 1621 door de Staten-Generaal opgerichte
handelsonderneming. De WIC kreeg het monopolie op de westkust van Afrika en Amerika.
Uiteindelijk werd het een kaapvaartondeneming. Slaven werden na het veroveren
van de kust van Guinea in Zuid Amerika verkocht. Na het verlies van
verschillende kolonies werd deze compagnie ontbonden en een tweede opgericht
met uitsluitend handelsbedoelingen. Na het verlies op de monopolie van de
slavenhandel in de Spaanse kolonien werden haar bezittingen en schulden door
de Staten-Generaal overgenomen en de compagnie in 1793 opgeheven. |
||||||||||||
|
Wiedemaand |
Juni |
||||||||||||
|
Wijnmaand |
Oktober |
||||||||||||
|
Willich pant (m) |
Pand door de schuldenaar
vrijwillig aan de schuldeiser gegeven. |
||||||||||||
|
Wintermaand |
December |
||||||||||||
|
Woekenaer (m) |
Zie Woekerare |
||||||||||||
|
Woekerare (m) |
Hij die geld
uitleent tegen rente of enig voordeel (wat in de middeleeuwen door de kerk
als niet geoorloofd werd be-schouwd). Ook: Woekenaer |
||||||||||||
|
Woekergelt (m) |
Bij een
wisselaar geleend geld, waarvoor rente moet worden betaald. |
||||||||||||
|
Wondebrief (m) |
Papier met
een bezweringsformule om ziekten te genezen. |
||||||||||||
|
Wyfsgeboort (m) |
Vrouwelijke
nakomeling. |
||||||||||||
|
Wyfwaerheit (m) |
Woord van
eer, door een vrouw verpand. |
||||||||||||
|
Wynambacht (m) |
Het gilde der wijnkopers. |
||||||||||||
|
Wyncoop en waerbier (m) |
Lycoop (m): gegeven bij
een gerechtelijke eigendoms overdracht, een dronk wijn en bier. |
||||||||||||
|
Wysdom (m) |
Uitspraak, vonnis,
gewijsde |
||||||||||||
|
Wysmoeder (m) |
Vroedvrouw |
||||||||||||
|
Wysvrouwe (m) |
Zie Wysmoeder |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Z |
|
||||||||||||
|
Zaailand |
Zaailand |
||||||||||||
|
Zegel |
Hiermee werd
de echtheid van een oorkonde te gewaar-borgd. Een klompje lak of was, aan de oorkonde
bevestigd met een strookje parkament of een strengetje zijde waarin een
stempel werd afgedrukt. De was waarin de stempels gedrukt werden bestond
meestal voor 2/3 uit bijenwas en 1/3 bindmiddel. In de middeleeuwen werden
overeenkom-sten vast gelegd in een oorkonde, op perkament geschre-ven en
bekrachtigd door een of meer zegelafdrukken in was of lak. De zegels waren
voorzien van een randschrift waarin de naam van de zegelaar in voorkomt, in
het mid-den een voorstelling van een dier, een bloem, een mens en vanaf de
eerste helft van de 12e eeuw werd een familie-wapen algemeen. Het zegel
vervulde de rol van de tegen-woordige handtekening, in een tijd toen slechts
weinigen konden lezen en schrijven. |
||||||||||||
Zegelring |
Ring -
meestal van goud - met een ingelegde steen van cor-nalijn (bruin-rood),
grijze onyx, jaspis (groen-rood), lapis lazuli (blauw) of sardonix
(wit-zwart). Meestal be-staat de steen uit twee lagen, zodat de gravure
donkerder toont dan de deksteen. Zij worden gedragen aan de ring-vinger of de
pink van de linkehand. Aangezien men veronder-steld dat er werkelijk mee
wordt gezegeld, dient de onder-kant van het wapen naar de vingernagel gericht
te zijn. |
||||||||||||
|
Zetschipper |
Een schipper
die vaart voor rekening van de eigenaar van het schip. |
||||||||||||
|
Zibbetale (m) |
Zie Sibbetale |
||||||||||||
Zijmagen |
Zie Collateralen |
||||||||||||
|
Zondagskind |
Kind dat op
zondag geboren is en volgens het bijgeloof geesten kon zien, gelukskind. |
||||||||||||
|
Zoogbroeder |
Die met
anderen door dezelfde vrouw gezoogd werd. |
||||||||||||
|
Zoogkind |
Een kind dat
zuigt. |
||||||||||||
|
Zoogster |
Zoogvrouw,
vrouw die iemands kind met hare melk voedt, min of minne. |
||||||||||||
|
Zweervader |
Schoonvader,
behuwd vader. |
||||||||||||
|
|
|
||||||||||||